Of
ik mee ging schaatsen, vroeg vriendje Gijs. Het had al een paar weken
gevroren en zelfs het Zwarte Water zat dicht. Toen hij me vroeg nam
ik dan ook aan dat we net als de andere kinderen van clubhuis de
Klooienberg het Zwarte Water achter de dijk zouden verkennen. Maar
Gijs had andere plannen. Hij wilde exclusiviteit met mij. We gingen
immers met elkaar en dan had je geen pottenkijkers nodig.
Mijn
vader had het niet zo op Gijs. Mister Cellotape noemde hij hem
schertsend, omdat Gijs op zaterdagavond op de bank voor de buis
altijd zijn arm om mij heen sloeg. Geheel onschuldig, dacht ik. Die
arm was een doorn in het oog van mijn vader. Het waren dit soort
armen waartegen hij mij wilde beschermen. Dit soort armen waarom hij
mij uit het clubhuis haalde en naar huis trapte. Waarvoor hij zich
dan later weer verontschuldigde door zijn eigen armen iets te stevig
om mij heen te slaan.
Toen
Gijs me kwam halen zaten we nog aan het ontbijt met het hele gezin.
Voordat mijn broers vervelende opmerkingen konden maken, schrokte ik
mijn laatste stuk brood naar binnen en stond op om mijn schaatsen te
pakken. Grote witte kunstschaatsen die zo bot waren dat ik er beter
mee achteruit kon schaatsen dan vooruit, maar ze stonden zo elegant.
Gijs was met de fiets en ik mocht achterop. Dat leek me geen goed
idee, stilzitten in deze vrieskou. Dus pakte ik mijn eigen fiets uit het
souterrain. Lichtelijk teleurgesteld fietste Gijs naast me. Ik keek
naar hem. Zijn pukkelige wangen waren nog roder dan anders. Het vette
slierterige haar was te lang om netjes te zijn en te kort om hip te
zijn. Zijn lippen waren altijd vochtig, alsof hij leed aan
overtollige speekselvorming. Een zwarte soulbroek met wijde pijpen en
gespjes op de heupen en een strak, felgeel tricot truitje met
lakplastic vetersluiting was zijn favoriete outfit. Volgens de
laatste soulkikkermode. Dat vond ik aantrekkelijk aan hem, zijn
verschijning. Van zijn intellect hoefde ik het niet te hebben. Hij
was gestopt met de lts om in de groentezaak van zijn vader te gaan
werken en had geen enkele andere ambitie of interesse. De boeken die
ik verslond, de gedichten die ik schreef, ik hoefde er met hem niet
over te beginnen. Hij zou me niet begrijpend aankijken. Ik probeerde
het niet eens.
We
fietsten in de richting van de stal waar ik de clubhuispaarden altijd
verzorgde. Wat valt daar nou te schaatsen? schoot het door me heen.
Maar bij de stal aangekomen trapte Gijs in hetzelfde tempo voort,
totdat we bij een brede sloot aankwamen ergens midden in het land. Zo
ver voorbij de stal was ik nog nooit geweest. `Zet je fiets daar maar
neer,' zei Gijs en wees op het gammele houten hek van een aangrenzend
weiland. Zelf zette hij zijn fiets tegen een licht overhellende boom.
Gezeten op een kale stronk bond hij zijn Friese doorlopers onder. Ik
bleef erbij staan terwijl ik onhandig mijn laarzen uit en mijn
kunstschaatsen aan deed. Ons schoeisel verborgen we onder de bosjes
langs de slootkant. Gijs nam mijn hand en trok me het ijs op. Hij
ging voorop, hij kende de weg. De eerste sloot was breed genoeg om
forse slagen te maken, al had ik zo weinig glijvermogen in mijn
ijzers dat ik veel en korte slagen moest maken om vooruit te komen.
De winterharde halmen langs de slootkant waren berijpt en een witte
donsdeken met hier en daar een bruine vlek en een groen grassprietje
bedekte de weilanden. Ik waande mij in een schilderij van Pieter
Breughel. Mijn wangen kleurden sterappelrood en de frisse lucht sneed
aangenaam door mijn keel. Op de slootjes die te smal waren voor twee,
schaatste ik achter Gijs aan. Waar gingen we helemaal heen? Ik had
geen idee waar ik was. De vele korte slagen die ik moest maken met
mijn dunne puberbenen begonnen hun tol te eisen. Ik raakte steeds
verder achterop. Bij een groepje knotwilgen stopte Gijs en hij keek
om waar ik bleef. `Zullen we even stoppen?' vroeg hij. Hij ging op de
slootkant zitten. Dankbaar knikte ik ja.
Ik zat nog niet of hij
begon me met zijn, koude vochtige mond te kussen. Binnen no time zat
mijn halve gezicht onder zijn speeksel. De geur van zijn ademwolkjes
kon ik niet thuisbrengen, maar echt aangenaam vond ik hem niet. Bij
de eerste de beste adempauze wendde ik mijn gezicht af. Gijs liet
zich echter niet afpoeieren. Met zijn intussen onthandschoende handen
greep hij onder mijn jas naar de sluiting van mijn zwarte wollen
broek. Die wist hij met een hand te ontsluiten. En ook de maillot die
ik eronder aan had, trok hij pardoes over mijn smalle billen naar
beneden. Ik voelde hoe de sneeuw mijn billen afkoelde en vervolgens
verschroeide. Sneeuwbillen, dacht ik. Geen sneeuwballen maar
sneeuwbillen. Voor ik het doorhad duwde Gijs me met mijn rug in de slootkant en kroop hij bovenop me. Met zijn schaatsen diagonaal zette
hij zich schrap op het ijs van de sloot. Wat maakte hij rare
geluiden, alsof hij pijn had, of heel hard zat te drukken tijdens het
poepen. Tegen de binnenkant van mijn linkerdij drukte een warm stomp
voorwerp, waar kwam dat nou vandaan? En wat was het? Gijs duwde zijn
onderlichaam met ritmische bewegingen tegen mijn ontblote dijen.
Dertien was ik en ik had de boekjes `Jonges vragen' en `Meisjes
vragen', die wij van mijn ouders hadden gekregen bij wijze van
seksuele voorlichting, nog niet gelezen. Toch drong het tot me door
dat hier iets gebeurde waarvan ik de gevolgen niet kon overzien.
Ik
wrong me onder Gijs vandaan, hees mijn maillot op en ritste mijn
soulbroek dicht. Met knikkende knieën begon ik in de richting te
schaatsen waar we vandaan waren gekomen. In de verte zag ik een
boerderij die ik meende te herkennen als de paardenstal. Zonder
omkijken schaatste ik zo snel ik kon, maar op een gegeven moment
haalde Gijs me toch in. Zwijgend ging hij voor me rijden en ik volgde
hem tot aan onze fietsen. Op de terugweg begon hij over koetjes en
kalfjes alsof hij niet zojuist had geprobeerd mijn maagdenvlies te
beschadigen. Ik praatte maar terug, wat kon ik anders. Had ik hem
zijn gang moeten laten gaan? Wat was er dan eigenlijk gebeurd? Had ik
hem moeten slaan? Ik wist het niet. Een week later maakte ik het uit.
Niet zozeer vanwege de sneeuwbillenaffaire. Hij was op zaterdagavond
binnengekomen in een pak. Een pak! En een lelijk pak ook nog. Een
ouwelijk pak dat niet paste en niet stond. Nee, dát kon toch echt
niet.

