dinsdag 28 juli 2026

Miss Beat 1994

 


Miss Beat 1994

Twee keer eerder had Jet kennisgemaakt met het opstandige vlees. Met haar blote billen in de sneeuw tijdens een schaatspartij met haar vriendje, en tijdens haar ontmaagding, die meer weg had gehad van een soort zakelijke overeenkomst. 'Ik droeg nog kniekousen onder mijn minirok, omdat ik mijn kuiten niet mooi vond. Zo leken ze iets gevulder. Mijn wat oudere achterbuurjongen Jan vroeg of ik meeging achter de dijk. Wat dat precies inhield wist ik niet, maar ik had wel een vermoeden. Ik stemde in, want als je achter de dijk was geweest, hoorde je er pas echt bij.' Jan gaf eigenlijk de voorkeur aan haar tweelingzus die wat 'volwassener' overkwam, maar die lag al achter de dijk met de jongen op wie Jet heimelijk verliefd was. Jan bood de jongen nog aan om van partner te ruilen, maar dat wuifde Jets lustobject smalend weg. Teleurgesteld liet ze zich vervolgens meevoeren naar de bosjes aan de andere kant van de dijk. En dat was officieel niet áchter de dijk.

En nu bevond ze zich weer in zo'n situatie waarvan ze zich vandaag de dag zou hebben afgevraagd: 'Hoe dan?!' Er was een beatdanswedstrijd georganiseerd op haar middelbare school. Omdat Jet altijd meedanste met Penny de Jager tijdens de uitzendingen van Toppop en haar vader haar hierom de hemel in prees, durfde ze zich aan te melden als deelnemer. 'Ik droeg mijn moeders bloezende donkerrode truitje met korte mouwen, dat me wat meer volume gaf, want ik was hartstikke plat, en een zwarte rok waarop ik gekleurde vilten bloemetjes had genaaid. Daar piepte een witte Victoriaanse onderbroek onderuit. En ik had een zwart flaphoedje op. Heel hip!' De wedstrijd won ze moeiteloos. Niemand had zich ingespannen om in een bijzondere outfit aan de start te verschijnen, ze stond meteen al met 1-0 voor. 'Ik won het singletje The Israelites van Desmond Dekker dat toen geloof ik nummer 1 stond in de top 40. Het was mijn eerste plaatje ooit. Veertien was ik. En ik mocht me Miss Beat noemen.'

Na afloop bleef Jet rondhangen in de kantine, de wedstrijd had 's middags plaatsgevonden en het was nog lang geen etenstijd. In het clubje waarin ze hing, bevond zich ook een ouderejaars met wie ze wel eens een praatje maakte, Karel. Niet dat ze nou zo op hem viel, maar het was een aardige, rustige jongen. Eigenlijk juist heel anders dan de door haar begeerde jongens zoals Mick Jagger van wie er een meer dan levensgroot geel met paars portret boven haar bed hing. 'Karel vroeg of ik zin had om de school te verkennen. Dat leek me wel spannend.' De lessen waren afgelopen en op de kantine na was het gebouw verlaten. Ze zwierven rond tot ze bij de gymzaal kwamen. Achter de zaal was een soort hok waarin de toestellen stonden en waar het enige licht door de openstaande deur viel. Er hing een echte gymtoestellengeur, een mengeling van talk, leer, leervet en iets ondefinieerbaars. In het halfdonker botsten ze tegen elkaar op en Karel maakte van die gelegenheid gebruik door zijn donzig besnorde lippen pardoes op haar mond te drukken. Hij liet er geen gras over groeien en duwde zijn spartelende tong tussen haar tanden, alsof het de normaalste zaak van de wereld was. 'Die tong dat ging nog wel, al bewoog hij wel enigszins doelloos, maar zijn adem!' Omdat ze nauwelijks bezwaar aantekende, begon hij haar zwarte rok met gekleurde bloemetjes naar beneden te trekken, waarna de Victoriaanse onderbroek aan de beurt was. Ook haar slipje was niet veilig voor hem. 'Voor ik het wist, lag ik op de grond, op zo'n turnmat van dat stugge materiaal met zweetvoetafdrukken. Karel was een grote, stevige jongen, tegenwoordig zouden we hem obese noemen, een jaar of zestien en zijn haar begon al te dunnen. Hij had bolle kikkerogen en droeg een ouwelijke acryl trui. Dat weefsel was toen erg in, maar het ademde niet. Alsof de geur van die toestellen en matten nog niet genoeg was!' Daar bleef het niet bij. Karel was weinig populair bij de meiden en zag zijn kans schoon. Met een hand opende hij zijn gulp terwijl hij met zijn andere hand tussen haar benen graaide alsof hij in het donker naar het lichtknopje zocht. Jet liet het zich vol verwondering overkomen.

Tijdens haar ontmaagding had haar buurjongen plompverloren zijn pik in haar poes gedouwd. Het was pijnlijk noch prettig geweest, maar het had haar toch nieuwsgierig gemaakt. Ze had de potentie ervan ingezien. Karel was misschien niet moeders mooiste en hij rook verre van lekker, maar hij leek intelligent en was aardig bovendien. Hij verdiende een kans.
In het halfduister kon ze zijn geslacht niet onderscheiden. Het kazige aroma vermengde zich met de rest van de geursporen tot een weinig opwindende walm. Als stevig vlees voelde het, net als zijn eigenaar, en van boven bijna vierkant. Jet vroeg zich af hoe dat bij haar naar binnen moest, want dat dat moest, hoorde ze aan Karels pompende ademhaling. 'Als je veertien bent, is er weinig nodig om nat te worden. Het maakte niet zoveel uit wat hij met zijn hand deed. Die vierkante top bleek gelukkig flexibel, maar toen hij op me kwam liggen hijgen in mijn rechteroor, voelde zijn lichaam als een dood paard. Ineens walgde ik van die debiele trui en die stinkadem en dat dunne haar. Gelukkig was hij net zo onervaren als ik en was er weinig voor nodig om hem te laten finishen.'
Na afloop voelden Jet en Karel zich volslagen vreemden voor elkaar en stokte het gesprek bij: 'Het is al bijna etenstijd.' Karel voelde zich een man, hij had een meid bezeten. Jet voelde zich vies en teleurgesteld en verlangde naar een beste vriendin met wie ze dit kon delen en aan wie ze raad kon vragen. Met haar tweelingzusje maakte ze veel ruzie. Die zou haar ook niet begrijpen, die was veel volwassener dan zij en deed het alleen met jongens van haar keuze. Jet hoopte maar dat Karel niet zou gaan opscheppen en haar naam zou noemen. Wat een vernedering zou dat zijn voor Miss Beat 1994. Ondanks dat was er iets in haar wakker gekust, een prettig soort honger die gestild moest worden. Het zou toch nog een paar jaar duren voordat ze ontdekte dat ze daar niet per se een man bij nodig had.

zaterdag 14 februari 2026

De pokdalige pianist

 

Na lang wikken en wegen in verband met code oranje hakte Gyp de knoop door en vertrokken we naar Amsterdam. Bijna had ik me genesteld in het gevoel, we blijven lekker thuis. Ik zag al voor me wat ik zou gaan doen, naast sneeuwschuiven. Maar een crematie is geen verjaardag, je kunt hem niet overdoen. Gyp zag mijn innerlijke strijd aan en zei: ‘Kom op, we gaan gewoon.’ Het was onduidelijk hoe begaanbaar de provinciale weg was, dus we vertrokken op tijd. Achteraf onnodig, afgezien van een paar minimale sneeuwduinen was de weg goed berijdbaar. Een keer stopten we onder weg voor een plas, een zak suikervrije drop en snickers voor de balans.


 In Amsterdam aangekomen
 blijkt de weg naar Zorgvlied het grootste obstakel te zijn. Spek- en spekglad. Desondanks rijden we ongeschonden de parkeerplaats op. Bij de poort van de begraafplaats staat een groepje mensen onder wie ik de weduwe meen te herkennen. Ik heb haar slechts een paar keer ontmoet. Maar ze herkent mij en is verbaasd en verblijd dat we de barre tocht uit het verre Noorden hebben ondernomen. Het groepje bestaat duidelijk uit intimi, daartoe reken ik mezelf niet. De dode man heb ik veertig jaar geleden gekend en hem de laatste jaren op weg naar het einde pas weergezien. Ik mocht hem bijzonder graag. Ooit wakkerde er een vlammetje voor hem in mij, maar ik zag tegen hem op om zijn schoonheid, zijn gestalte, zijn zelfverzekerdheid. Ik durfde het vuur niet aan te wakkeren. En hij voelde zich een geluksvogel met zijn latere vrouw, van wie ik vroeger niet begreep hoe hij op haar had kunnen vallen, maar dat was ingegeven door jaloezie en toen ik de gezinsfoto’s tijdens de crematie voorbij zag komen, wist ik dat ik nooit aan haar haar had kunnen tippen.
    Ik ben hier meer voor mijn oude makker, de Manvandezee. De overledene is zijn beste vriend en de Man is zo verschrikkelijk verdrietigOp weg naar de aula loopt diens echtgenote ons tegemoet. Ook verbaasd. Zo’n tien meter achter haar zie ik de Man zelf, innig verstrengeld met een mij onbekende vrouw. Hij heeft ons niet in de gaten. Pas wanneer we vlak voor hem staan, herkent hij ons. Subiet
 maakt hij zich los uit de omstrengeling en hartverscheurend jankend valt hij me om mijn nek. Hij brult vanuit het diepst van zijn hart. De Man en ik gaan terug tot Academie Minerva, waar hij autobanden met verf insmeerde en over meterslang papier liet rollen. En waar ik probeerde niet ten onder te gaan aan een gebrek aan talent, een overvloed aan drank en een onvrijwillig open relatie, die de halve stad van gonorroe voorzag.
    Na de dienst waarin de overledene uitzonderlijk warm en liefdevol werd herdacht, vergezellen we hem over de glibberpaadjes naar het crematorium waar de familie definitief afscheid neemt. Teruglopend bekijken we wat opschriften, speurend naar BN'ers. We stuiten op het bescheiden kleurrijke graf van Annie M.G.. Heel anders dan ik me had voorgesteld.

Bij de nazit is Manvandezee gekalmeerd. Hij vraagt of ik de Pokdalige Pianist al heb gezien. Die had ik van tevoren gegoogeld om te weten hoe die er tegenwoordig uitziet. Er was niet veel over hem te vinden, slechts één onduidelijke foto, die mij vóór de dienst al de verkeerde PP deed aanspreken. ‘Dáár,’ wijst Manvandezee tussen een paar hoofden door. Het is voor mij geen Aha-erlebnis, maar zodra de Pianist me opmerkt, gooit hij zijn armen in de lucht en scandeert mijn naam. Zichtbaar verheugd baant hij zich een weg naar me toe om zijn lippen hard en beslist op de mijne te drukken. Er is kracht voor nodig om mijn gezicht af te wenden en me los te maken uit zijn greep. Meteen weet ik weer waarom we geen contact hebben gehouden. Ik vond hem vies. Veertig jaar geleden woonden we als enige bewoners in een kraakpand, waar hij door mijn kamer naar de wc en de douche moest. Ook ’s nachts wanneer ik lag te slapen of wanneer ik geluk had, lag te vrijen. Honderd keer per dag speelde hij hetzelfde deuntje op de piano en maakte hij steevast dezelfde fouten. Elke avond voor het slapen gaan, zat hij in een wit hemd en een grote witte onderbroek, die mijn vader niet zou misstaan, in mijn kamer boterhammen met knoflooktenen te eten, tegen het pokdalen. Hij was altijd met vrouwen bezig, maar het lukte hem nooit er een mee naar huis te krijgen.
    En nu staat hij voor me en moet Gyp lachen om mijn reactie op de kus. De niet langer pokdalige pianist vraagt: ‘Ben je nog boos?’ ‘Om de knoflook?’ Iets anders schiet me niet te binnen. Het blijkt om iets heel anders te gaan, iets met een garage en een atelier. De knoflook is hij vergeten, al hebben die talloze tenen hebben wel geholpen. In zijn jeugdig enthousiasme nodigt Gyp de pianist uit om langs te komen in Groningen. Deze vindt dit een goed plan. Ik iets minder. We wisselen nummers uit, maar maken nog geen afspraak.
    Het is tijd om ons op de terugweg te wagen. Buiten staat de zoon van de overledene in een groepje leeftijdsgenoten te roken. Wanneer we hem passeren hoor ik hem zeggen: ‘Nu begint het pas.’ ‘Ja,’ beaam ik, me naar hem omdraaiend, ‘nu begint het pas. Heel veel sterkte.’