zaterdag 14 februari 2026

De pokdalige pianist

 

Na lang wikken en wegen in verband met code oranje hakte Gyp de knoop door en vertrokken we naar Amsterdam. Bijna had ik me genesteld in het gevoel, we blijven lekker thuis. Ik zag al voor me wat ik zou gaan doen, naast sneeuwschuiven. Maar een crematie is geen verjaardag, je kunt hem niet overdoen. Gyp zag mijn innerlijke strijd aan en zei: ‘Kom op, we gaan gewoon.’ Het was onduidelijk hoe begaanbaar de provinciale weg was, dus we vertrokken op tijd. Achteraf onnodig, afgezien van een paar minimale sneeuwduinen was de weg goed berijdbaar. Een keer stopten we onder weg voor een plas, een zak suikervrije drop en snickers voor de balans.


 In Amsterdam aangekomen
 blijkt de weg naar Zorgvlied het grootste obstakel te zijn. Spek- en spekglad. Desondanks rijden we ongeschonden de parkeerplaats op. Bij de poort van de begraafplaats staat een groepje mensen onder wie ik de weduwe meen te herkennen. Ik heb haar slechts een paar keer ontmoet. Maar ze herkent mij en is verbaasd en verblijd dat we de barre tocht uit het verre Noorden hebben ondernomen. Het groepje bestaat duidelijk uit intimi, daartoe reken ik mezelf niet. De dode man heb ik veertig jaar geleden gekend en hem de laatste jaren op weg naar het einde pas weergezien. Ik mocht hem bijzonder graag. Ooit wakkerde er een vlammetje voor hem in mij, maar ik zag tegen hem op om zijn schoonheid, zijn gestalte, zijn zelfverzekerdheid. Ik durfde het vuur niet aan te wakkeren. En hij voelde zich een geluksvogel met zijn latere vrouw, van wie ik vroeger niet begreep hoe hij op haar had kunnen vallen, maar dat was ingegeven door jaloezie en toen ik de gezinsfoto’s tijdens de crematie voorbij zag komen, wist ik dat ik nooit aan haar haar had kunnen tippen.
    Ik ben hier meer voor mijn oude makker, de Manvandezee. De overledene is zijn beste vriend en de Man is zo verschrikkelijk verdrietigOp weg naar de aula loopt diens echtgenote ons tegemoet. Ook verbaasd. Zo’n tien meter achter haar zie ik de Man zelf, innig verstrengeld met een mij onbekende vrouw. Hij heeft ons niet in de gaten. Pas wanneer we vlak voor hem staan, herkent hij ons. Subiet
 maakt hij zich los uit de omstrengeling en hartverscheurend jankend valt hij me om mijn nek. Hij brult vanuit het diepst van zijn hart. De Man en ik gaan terug tot Academie Minerva, waar hij autobanden met verf insmeerde en over meterslang papier liet rollen. En waar ik probeerde niet ten onder te gaan aan een gebrek aan talent, een overvloed aan drank en een onvrijwillig open relatie, die de halve stad van gonorroe voorzag.
    Na de dienst waarin de overledene uitzonderlijk warm en liefdevol werd herdacht, vergezellen we hem over de glibberpaadjes naar het crematorium waar de familie definitief afscheid neemt. Teruglopend bekijken we wat opschriften, speurend naar BN'ers. We stuiten op het bescheiden kleurrijke graf van Annie M.G.. Heel anders dan ik me had voorgesteld.

Bij de nazit is Manvandezee gekalmeerd. Hij vraagt of ik de Pokdalige Pianist al heb gezien. Die had ik van tevoren gegoogeld om te weten hoe die er tegenwoordig uitziet. Er was niet veel over hem te vinden, slechts één onduidelijke foto, die mij vóór de dienst al de verkeerde PP deed aanspreken. ‘Dáár,’ wijst Manvandezee tussen een paar hoofden door. Het is voor mij geen Aha-erlebnis, maar zodra de Pianist me opmerkt, gooit hij zijn armen in de lucht en scandeert mijn naam. Zichtbaar verheugd baant hij zich een weg naar me toe om zijn lippen hard en beslist op de mijne te drukken. Er is kracht voor nodig om mijn gezicht af te wenden en me los te maken uit zijn greep. Meteen weet ik weer waarom we geen contact hebben gehouden. Ik vond hem vies. Veertig jaar geleden woonden we als enige bewoners in een kraakpand, waar hij door mijn kamer naar de wc en de douche moest. Ook ’s nachts wanneer ik lag te slapen of wanneer ik geluk had, lag te vrijen. Honderd keer per dag speelde hij hetzelfde deuntje op de piano en maakte hij steevast dezelfde fouten. Elke avond voor het slapen gaan, zat hij in een wit hemd en een grote witte onderbroek, die mijn vader niet zou misstaan, in mijn kamer boterhammen met knoflooktenen te eten, tegen het pokdalen. Hij was altijd met vrouwen bezig, maar het lukte hem nooit er een mee naar huis te krijgen.
    En nu staat hij voor me en moet Gyp lachen om mijn reactie op de kus. De niet langer pokdalige pianist vraagt: ‘Ben je nog boos?’ ‘Om de knoflook?’ Iets anders schiet me niet te binnen. Het blijkt om iets heel anders te gaan, iets met een garage en een atelier. De knoflook is hij vergeten, al hebben die talloze tenen hebben wel geholpen. In zijn jeugdig enthousiasme nodigt Gyp de pianist uit om langs te komen in Groningen. Deze vindt dit een goed plan. Ik iets minder. We wisselen nummers uit, maar maken nog geen afspraak.
    Het is tijd om ons op de terugweg te wagen. Buiten staat de zoon van de overledene in een groepje leeftijdsgenoten te roken. Wanneer we hem passeren hoor ik hem zeggen: ‘Nu begint het pas.’ ‘Ja,’ beaam ik, me naar hem omdraaiend, ‘nu begint het pas. Heel veel sterkte.’

 

Geen opmerkingen:

Een reactie posten