dinsdag 23 juli 2024

Niet langer hip

 


Een dag na het rooien van mijn vroege aardappels, krijg ik helse pijnscheuten in mijn rug en rechterheup. Pijnstillers verdraag ik slecht, een duf hoofd, maar nog net zo veel pijn, dus moet een flinke sloot alcohol mij door het verjaarspartijtje van Gyp heen helpen. Die verdoving kan ik pas ’s avonds toepassen, eerst moet er gecaterd worden. Het huilen nader dan het lachen, bekommer ik me om de (nieuwe) aardappelsalade, meloen met feta en zwarte olijven, Danerolletjes met spinazie, en vlees en vegaspiezen voor op de bbq, terwijl vriendlief zijn nageslacht met waterpistolen tracht uit te roeien.

De oudste chihuahua heeft ons de halve nacht uit de slaap gehouden met haar gehoest. Door hartfalen krijgt ze het vocht niet uit haar lijfje en gaat dit soms ’s nachts in de weg zitten, met urenlange non stop hoestbuien tot gevolg. Erg fit voel ik me dus niet.
Wanneer alle gasten van eten zijn voorzien, is de sangria bijna op en omdat ik geen zin heb in bier, weet ik even niet wat in te nemen tegen de pijn. De boekhandelaar/barkeeper in het gezelschap is bereid iets voor me te mixen. Vier volle wijnglazen troebel, onbestemd gekleurd, in de verte naar sangria smakend vocht later, moet ik voor het eerst in jaren ’s nachts mijn bed uit om ouderwets te kotsen. Pijn in de rug maakt plaats voor een tollend hoofd en antiperistaltische bewegingen in de rest van mijn lichaam. Het effect is tijdelijk, helaas voor de pijn, maar gelukkig voor de rest.  

Via een dorpsvriendin kom ik in contact met de redactie van het blad Waddenland. Zij heeft de redactie de link naar mijn blog gestuurd als proeve van mijn schrijfvaardigheid. Niet echt representatief voor mijn broodschrijverij… De eindredacteur belt en ‘leuk dat je geïnteresseerd bent in Waddenland, maar artikelen voor ons blad hebben toch wel een andere tone of voice dan jouw columns. De teksten mogen wat hipper.’ Ik stel voor om proefteksten te maken en krijg vervolgens de opdracht 4 korte teksten over Winsum te schrijven in de tone of voice van het merk Groningen. Als richtlijnen krijg ik steekwoorden als Trots, Nuchter, Persoonlijk en Kwinkslag mee. Een tekstje over Pieterburen dient als voorbeeld:

‘De paden op…
De bekendste wandelroute van Nederland start in Pieterburen. Met het Pieterpad loop je in 500 km naar de Sint-Pieterberg. Een klein stukje wandelen kan ook. Of volg het Pieterfietspad!’

Niks mis mee. In een poging mijn eigen teksten te ‘verhippen’, schrijf ik over Winsum:

‘Ouderwets winkelen
Vergeet Bol.com en shop in de  goed voorziene winkelstraatjes. Van grote keten tot lekker lokaal. Bubbels met kaas, nootjes en verse vis. Je party outfit twee deuren verderop. Liever tweedehands? Op industrieterrein Het Aanleg vind je twee kringlopen naast elkaar.

Niks mis mee. Of toch wel? De redactie is er niet van gecharmeerd, niet hip genoeg ondanks die Engelse termen?

Omdat de pijn in mijn rug maar niet minder wordt, consulteer ik de huisarts. Ze sluit een hernia en andere ellende uit, vermoedt dat het de spieren zijn en schrijft pijnstillers voor. Naproxen. Schijn ik eerder te hebben gebruikt. Of ik nog last van mijn maag heb, vraagt ze. Niet op dit moment. Ik haal de medicijnen bij de apotheek en slik een pil voor het slapen gaan. De volgende ochtend belt een onbekend Gronings nummer. De apotheek. ‘U heeft gisteren Naproxen bij ons gehaald. Op uw leeftijd zou u daar maagbeschermers bij moeten slikken, maar die heeft u niet gekregen...’

Ik voel me ineens heel oud.

vrijdag 26 mei 2023

Doodgaan is eigenlijk niet zo moeilijk

 

Ik droom dat Gyp onze chihuahua’s wil afmaken en in een gat naast de snelweg dumpen. Hartverscheurend sta ik er bij te huilen. Via een soort spoorbrug vlucht ik weg van de plaats delict, maar vooral van hem. Wanneer ik om onverklaarbare redenen later toch naar hem terugga, voel ik een immense leegte. Maar waren die tranen wel voor de hondjes bedoeld? Ik durf er mijn beide handen zo voor in het vuur te steken dat Gyp ze nooit iets zal aandoen. De tederheid waarmee hij ze behandelt, sluit elke vorm van agressie uit. 

Die tranen waren voor jou, denk ik. Omdat het licht, de geuren en de geluiden buiten dezelfde zijn als een jaar geleden, toen je zei dat doodgaan eigenlijk niet zo moeilijk was. En ik luchtigjes reageerde met ‘maar jij hebt het nog niet onder de knie.’ Je lachte een van je laatste lachjes. ‘Uw moeder gaat overlijden,’ had de hoofdverpleegkundige even tevoren gezegd. Had je dat gehoord? Of voelde je dat het leven je verliet. Stom dat ik je dat niet heb gevraagd toen je nog kon antwoorden. Hoe lang het ging duren kon de verpleegkundige niet zeggen, maar ze zouden er alles aan doen om het sterven zo comfortabel mogelijk te maken. Wat is er dan oncomfortabel aan sterven op je 98ste als je lichaam op is en je geest de werkelijkheid door elkaar hutselt, vroeg ik me af. 

Aan je neus zouden we kunnen voelen hoever het proces was, hoe kouder hoe dichter bij de dood. Je gezicht leek koortsig en opgezet, je neus juist spitser. Op foto’s en tekeningen van andere stervenden in de expositie ‘Als de dood’, zag ik het zelfde fenomeen, dat sterfgezicht. ‘Zal ik je bril afzetten?’ vroeg ik. ‘Doe maar, die heb ik toch niet meer nodig.’ Je zei het weemoedig, met spijt in je stem. Een verzorgende vroeg of er iets was wat je nog graag zou willen eten. 'Een eitje,' antwoordde je beslist. Een zachtgekookt eitje, daarvoor konden ze je wakker maken. Omdat je mond droog was, kreeg je een verdikt sapje met een chemische geur, die in de verte aan frambozen deed denken. Het was paarsig van kleur. Na een paar slokjes zei je: ‘Hmm, lekker eitje.’ Dacht je werkelijk dat je een gekookt ei had gegeten? Of maakten je hersens dat ervan omdat je het zo graag wilde. Had je dan ook kunnen blijven leven als je het maar genoeg had gewild?

Je ex-schoonzoon belde vanuit Amerika en je sprak met hem in keurig Engels. En nadat je je drankje op had en de verzorgende vroeg of het lekker was, antwoordde je met 'nice'. Konden je hersens het niet meer bijbenen en zat je nog in het telefoongesprek? Er werd je gevraagd of er nog iets was wat je heel graag zou willen. ‘Met de hele familie bij elkaar en dan lekker ruzie maken!’ Typisch jij! Maar was dat echt wat je wilde? Of was het je provocatieve inborst, of wellicht je onvermogen om je gevoelens te tonen. Wilde je eigenlijk niet liever ons allemaal tegen je aantrekken en zeggen dat je van ons hield. De enige keer dat je dat zei, was toen je corona had en een herkansing op het leven aan de einder gloorde. Maar toen mocht je ons niet omhelzen. Ik zei toen: 'Ik hou van je,' en jij antwoordde in het algemeen: ‘Ik hou ook heel veel van jullie.’ Van jullie, niet van jou, van mij dus. Te intiem.

Toen je schoondochter binnenkwam en zich over je heen boog, vertrok je gezicht in een grimas die ik nooit eerder bij je had gezien. ‘Ze hebben mijn moeder vermoord! Ze hebben mijn moeder vermoord!’ jammerde je plotseling. We schrokken. Je schoondochter lijkt niet eens op je moeder. Was het de oorlog die je parten speelde? Toen je moeder overleed, heb je geen traan gelaten. Je vond haar een zelfzuchtige, kille vrouw. Op je zeventiende had ze tegen je gezegd dat als ze moest kiezen tussen jou en je broertje of je vader, ze voor de laatste zou kiezen. Het is je altijd bijgebleven. Dat pa mij op mijn zeventiende hetzelfde vertelde over jou, dat jij voor hem zou kiezen, heb je altijd met klem ontkend. Toen je dementeerde was de afwijzing van je moeder een van de verhalen die steeds terugkwamen. 

‘Jullie mogen geen zelfmoord plegen hoor!’ zei je nog steeds angstig. We haalden de verpleegkundige erbij. Die vroeg of je bang was. 'Ja,' zei je. 'Waarvoor dan?' 'Om dood te gaan!' Jij, die altijd had beweerd niet bang te zijn voor de dood. Stoere... Je kreeg iets tegen de angst en het duurde niet lang tot je in een soort halfbewustzijn raakte. Met open mond lag je op je rug te ademen. Je neus leek alsmaar spitser. Je reageerde nergens meer op. Af en toe vertrok je gezicht in een spasme waaruit we opmaakten dat je pijn had, of niet lekker lag. Dan haalden we de verzorgende erbij. Die overlegde met de arts of ze meer palliatieve medicatie mocht toedienen. Je kreeg een morfinepompje. Een keer eerder was je aan de drugs geweest, toen je was uitgegleden op het beijzelde trapje voor het huis in de Von Weberstraat. Je had een paar ribben gebroken en kermde van de pijn. Ook toen kreeg je iets sterks voorgeschreven en je was hartstikke high. Grappig vonden we dat als kinderen, maar ook gênant.

Op maandagmiddag kleurde de lucht achter het raam in je kamer in het Zonnehuis inktzwart. Dikke druppels roffelden tegen het raam en de donder klonk dichtbij. Je ademde stug door. Je twee jongste zoons, je oudste kleinzoon en ik, je enige dochter, waakten en maakten uit verveling cryptogrammen, waarbij we hilarische oplossingen verzonnen tot we slap van het lachen waren. Respectloos? Was je ‘erbij’ geweest, dan had je net zo hard meegelachen. Je jongste zoon hield tien uur lang je hand vast. Merkte je dat? Deed hij dat om zijn relatieve afwezigheid van de laatste jaren goed te maken? Hij hoefde er niet bij te zijn, had hij gezegd. Je te zien sterven, dat vond hij maar eng. Toch overwon hij zichzelf en hij bleef tot het einde bij je. Ik hoop dat je het fijn vond. We chatten met je zoons in het buitenland. Het was zwaar voor ze om er niet bij te zijn.

Dertig uur duurde het en je lag er nog altijd niet echt comfortabel bij. We voelden aan je neus. Kouder. Warmer. Spitser. En weer kouder. We werden ongedurig. Had je niet lang genoeg geleden? De verpleegkundige wist nog iets wat het proces misschien zou vergemakkelijken. Je werd op je zij gedraaid. ‘Zo kan ze iets makkelijker ademhalen,’ meende ze. Maar niets was minder waar. Het werd juist zwaarder. Binnen tien minuten nadat je op je zij was gelegd blies je je laatste adem uit. Of eigenlijk je een na laatste, want toen we elkaar al wilden condoleren, klapte je nog een keer je kaken stevig op elkaar om ze daarna voorgoed los te laten. Je linkerwang drukte in het kussen, je haar stond alle kanten op, je mond hing schuin open en je paarse tong viel weinig elegant naar buiten. Het was voorbij. We waren wees geworden.

Ik werd een immense afgrond ingezogen en huilde zo oorverdovend dat de snikken van de aanwezige mannen me ontgingen. Ik stortte me in de armen van mijn dichtstbijzijnde broer, tot hij zich losmaakte om de verpleegkundige te waarschuwen. En toen die kwam klampte ik me vast aan haar grote zachte moederlijke lijf. Leegte vulde mijn buik.

Je werd zo oud dat ik me je niet meer als lijk kon voorstellen. Doodgaan leek 98 jaar lang niet aan jou besteed. Maar daar lag je dan met je pimpelpaarse tong uit je mond die was opengesperd in een versteende geeuw. De Schreeuw van Munch was er niets bij.

 

 

donderdag 30 maart 2023

Bosjesmannen

 

Vroeger was ik bang voor enge mannen in de bosjes. Daar had ik alle reden toe, ik had honing aan mijn kleine, maar fijne kont. Regelmatig werd ik achtervolgd en/of blootgesteld aan zwengelende geslachtsdelen in meer of minder erecte toestand. Dit vond meestal plaats in de stad, zoals in de Oude Kijk in ’t Jat, of aan de Vismarkt. Of in het, over het algemeen, druk bevolkte Noorderplantsoen. Donker hoefde het er niet voor te zijn. Het kon maar zo midden op de dag gebeuren. Ook het weer maakte geen verschil, zon, regen, vrieskou, zwengelen zouden ze, die leuters. Soms ging dat gepaard met intens starende blikken, soms met een soort ‘vieze man’ gekreun. Echt bedreigend, zodat ik me uit de voeten moest maken, werd het nooit. Wellicht was dit te danken aan viervoeters Jodocus en Bor, die me vaak vergezelden en waarvan er een in al zijn vuilnisbakkerige onschuld best kon worden aangezien voor een vervaarlijke bouvier. Nee, geduchter moest ik zijn voor bekenden, hoe cliché. In hen school het echte gevaar.

Nu ben ik op een leeftijd dat ik vervuld van weemoed terugdenk aan de mannen die me nafloten, -riepen of op hun zaakje trakteerden. Deden ze dat nog maar eens, fluiten, roepen, maar die ontwikkeling is helaas onomkeerbaar. De zaakjes mogen ze in hun broek houden. Ik zou er vooral om moeten lachen en dat vind ik dan toch ook sneu; wie zichzelf zo manifesteert, is vast hartstikke eenzaam of ongelukkig.

Vandaag de dag is mijn grootste angst dat ik in diezelfde bosjes bezwijk aan een hartstilstand of beroerte, en pas dagen later gevonden word. Ondanks de, van schoonmama geërfde, bejaarde chihuahua’s die ik uitlaat in die bosjes. De schoothondjes zullen niet aanslaan. Integendeel. Kunnen ze een keer legitiem keffen... Ze zullen plaatsnemen op mijn ontzielde lichaam en net zo lang stil blijven liggen tot we gevonden worden. Zo ging het ook bij schoonmama, toen die in het bosje van haar dochter(s) na een verbeten strijd met woekerende braamstruiken, plotsklaps het leven liet. Terwijl dochterlief eerste en tevens laatste hulp bood, gingen Puck en Sam op hun vrouwtje zitten. En toen schoonmama later in huis op de grond werd neergelegd in afwachting van de lijkwagen, vleiden ze zich tegen haar aan, als om haar warm te houden. Het mocht niet baten.

Mijn schrikbeeld; dat ik omval in de bosjes en nooit meer warm word, en dat die twee keffertjes juist dan voor de verandering hun bek houden.

donderdag 16 maart 2023

Alweer jarig

 

Alsof het gisteren was, zo voelen dingen steeds vaker. Zo ook mijn verjaardag. Heb ik die niet net nog gevierd? Ik vind het overigens geen straf om dat alweer te doen, al is het de eerste verjaardag zonder mijn moeder. Vorig jaar was ze hem toch al vergeten. Ik zocht haar toen zelf maar op in het Zonnehuis. Op haar kamer was ze niet en ook niet in de woonkamer. Ze bevond zich in een vertrek waar ze zogenaamd de griepprik kreeg. In werkelijkheid werd ze geprikt tegen corona, maar demente bejaarden konden aanslaan op het woord corona. Samen met een handjevol medebewoners zat ze aan een vierkante tafel met grote punten slagroomtaart erop. Om de prik te verzachten, dacht ik, maar er bleek nog iemand jarig, die rommelig werd toegezongen. Moeder was hogelijk verbaasd mij te zien in deze setting. Ze snapte überhaupt niet goed wat ze in die duistere ruimte moest. ‘Je krijgt de griepprik,’ zweerde ik samen. 'O, nou ja, dat moet ook gebeuren.' Bang voor naalden was ze niet en dat ze die injectie allang had gehad, daar had ze geen herinnering aan. Toen ik haar erop attent maakte dat het mijn verjaardag was, schaamde ze zich. Maar ook dat was ze snel vergeten.

Het is nu ook de eerste verjaardag dat tante Martha op bezoek zou komen. Geen echte tante, maar een nicht van moeder, over wie ze altijd zei: ‘Als je die aan de telefoon krijgt, dan ben je nog niet klaar!’ Later zei Martha hetzelfde over haar. Toch belden ze geregeld. Ik had Martha misschien twee keer gezien in mijn leven, waarvan een keer toevallig bij Noordpolderzijl op een uitje met moeder. Het Zielhoes aldaar bleek Martha’s tweede thuis. Ze woonde in Uithuizen, een half uurtje rijden bij Gyp vandaan, míjn tweede thuis. Drie jaar lang dacht ik regelmatig, ik zou eens bij haar op bezoek moeten, ze woont zo dichtbij. Het kwam er pas van nadat moeder overleed en ik Martha aan de lijn kreeg. En nog niet klaar was. We spraken af en het was familie op het eerste gezicht. Ze was het laatste lijntje naar mijn moeder van die generatie en zat vol familiegeschiedenis. Nu is ze dood en zal ze nooit op mijn verjaardag zijn geweest. Had ik maar... Was ik maar eerder… Die sterfelijkheid begint aardig opdringerig te worden en dat is helaas een voortschrijdende realiteit. Maar ik ben er nog, al 68 jaar en vooralsnog medicijnvrij. Afkloppeh!

Gyp neemt me mee uit eten met een biertje in de Wolthoorn vooraf. Beetje atypisch vind ik dat wel, maar ik sla er geen acht op. Hij doet het voor mij, omdat ik jarig ben. Ik zie hem onder de tafel met zijn telefoon spelen, ook daar besteed ik geen aandacht aan. In het restaurant Betere Tijden, biedt de bediening ons meteen een driegangenmenu aan, terwijl je kunt kiezen tussen drie en vier gangen. Ook dat ontgaat me. Mijn huisarts komt het restaurant binnen en neemt twee tafels verderop plaats aan een tafel vol vermoedelijke ex-studiegenoten. Ik doe mijn best om niet haar kant op te kijken. Lijkt me niks om patiënten in het wild tegen te komen. Of we het dessert nu al willen, of nog even willen wachten, vraagt de iets te vriendelijke jongeman met meer tanden dan haar. Gyp wil nog wel even wachten. Dat verbaast me en ik merk op dat hij thuis het toetje altijd meteen na de hoofdmaaltijd naar binnen werkt. Iets wat mij tegen de borst stuit. Na het dessert neemt hij zelfs nog een kopje koffie, dat doet hij nooit! Hij zal het wel voor mij doen, denk ik maar.

We gaan eerst naar mijn huis. Hij om de fiets te pakken en ik mijn spullen. ‘Ik loop nog wel even met je mee,’ zegt hij en ik denk, prima. Maar ook, je gaat wel erg ver voor mijn verjaardag. Met mijn jas nog aan open ik de voordeur en vervolgens de kamerdeur. Krijg nou wat, er hangen slingers. Toen we twee uur geleden naar het restaurant gingen, hingen die er nog niet. En wat doen al die champagneglazen daar? Plotseling klinkt er muziek en van achter de gordijnen, de tafel en uit de slaapkamer komen allemaal mensen met feestmutsen en toeters tevoorschijn. Dit gebeurt niet, ik droom. Verdwaasd kijk ik de kamer rond en herken vele vrienden, en een neef. Ik schiet vol bij de eerste gedachte die in me opkomt: Dit kan ik niet meer met mijn moeder delen.

Later op de avond vallen er heel wat kwartjes…

vrijdag 15 juli 2022

Janken


De uitgeknipte ogen van de intussen overleden man kijken me aan vanaf het tafelblad. Ik kan wel janken. Toen de foto werd genomen, wist hij dat zijn einde nabij was. Hij liet zich vereeuwigen, gekleed in slechts zijn luierbroek. Dapper. Ik kwam hem tegen in het blad Relevant van de SVVE, de stichting voor vrijwillig levenseinde. Ik knipte hem uit om te gebruiken in een collage. Maar die ogen zijn te intens. Te dicht bij de dood.

Op weg naar huis fietste ik over de Kerklaan waar ik voor de Coöp mijn beste vriendin zag staan, in geanimeerd gesprek. Ik kende deze gesprekspartner niet en toen ik stopte achter het reclamebord dat ons scheidde, maakte ik uit zijn woorden op dat hij een klusser is. Omdat die tegenwoordig zwaar overbevraagd zijn, en ik weet dat mijn vriendin bouwplannen heeft, maakte ik mijn aanwezigheid niet kenbaar en bleef muisstil achter het reclamebord staan. De man zag mij staan luistervinken, maar paste zijn volume niet aan.
Wel wat raar, zo achter haar rug, half verstopt, met mijn hoofd boven het bord uit, dus besloot ik eerst naar de Coöp te gaan. Dat gesprek zou nog wel even duren. Ik zette mijn fiets op slot en liep naar binnen. Mijn vriendin keek niet op of om. Veel had ik niet nodig, bij de nibbits twijfelde ik. Gewapend met een zakje muesli en een hard broodje stond ik uiteindelijk bij de kassa. Vanaf daar had ik zicht op de straat en zag ik mijn vriendin aanstalten maken om te vertrekken. Er was nog een klant voor me en ik kon me niet zo snel uit de voeten maken. Gedwee wachtte ik op mijn beurt.
Buitengekomen was ze verdwenen. Wat te doen? Ze woont om de hoek van de Kerklaan. Ik had haar achterna kunnen fietsen. Maar zat ze wel op mij te wachten? Die boodschappentas aan haar stuur was behoorlijk vol, ze kreeg vast eters. Zo dralend was ik eigenlijk allang blij dat ik haar zo geanimeerd had zien praten met die man. Ik maak me zorgen over haar. Sinds ze twee jaar geleden corona had, is ze nooit meer de oude geworden. Elke overvliegende bacil blijft aan haar kleven, lijkt het wel. Haar longen hebben een enorme opdonder gehad en herstellen, ho maar. Toen ik langs haar straat fietste, draalde ik nog wat meer. Zal ik, zal ik niet? Met een brok in mijn keel van zoveel besluiteloosheid reed ik door. Ik kon wel janken.

Vanochtend was ik met Sam, de kleinste chihuahua, naar de dierenarts. Zijn tandvlees was ontstoken en hij meurde vreselijk uit zijn straatje. Hij had antibiotica gehad. En wij moesten zijn tandjes poetsen, want hij had te veel plak. En zo werden wij van zijn grootste vriendjes, zijn grootste vijanden. Zodra hij de tandenborstel in het vizier krijgt, kruipt hij met zijn staart tussen zijn pootjes weg. Maar het poetsen hielp, hij meurt minder en kauwt er weer lustig op los. De eerste dierenarts die hem zag, had gedreigd met tandentrekking onder narcose. Dat zou zo’n kleine hond fataal kunnen worden. De dierenarts van vanochtend daarentegen, vond dat middel erger dan de kwaal. Hij had vieze tandjes, nou en, hebben mensen ook wel eens. Geef je hem alleen hondenvoer te eten? Hoeft niet hoor, mensen gaan toch ook naar de snackbar! Een nogal ander geluid. Dit beviel mij een stuk beter. ‘En dat is geen hondje  van twaalf,’ merkte ze bij het afscheid ook nog op. Opgelucht verliet ik de spreekkamer en ging meteen twintig verschillende kauwstaafjes inslaan. Blij dat het beestje ons niet onder narcose zou ontvallen. Blij dat hij niet zo oud was als in zijn paspoort staat. Je hecht je zo hè?

Met een licht gemoed kwam ik thuis. Totdat ik die foto zag op de familieapp. De foto van broer 3 die op bezoek was bij zijn nieuwe oude vriendin, Lien. Een demente vrouw die bij mijn moeder op de afdeling van het verpleeghuis zat, waar Lien nog altijd zit. Schat van een mens en nog redelijk bij de pinken. Mijn lieve broer daar te zien zonder mijn moeder. We hadden het er deze week nog met elkaar over, dat het verdriet eigenlijk best meeviel. Dat we er vrede mee hadden. Ze was oud en op. Het was goed zo.

Maar ik kan wel janken.

dinsdag 5 juli 2022

Jaloers

 

Soms kan ik zo jaloers zijn. Groen en geel zien. Vol afgunst kijk ik dan bijvoorbeeld naar het (bijna) perfecte leven van de broer die elke week kleinkinderen te logeren heeft die hem de liefste opa van de wereld vinden. Zelfs liever dan hun biologische opa.

Nu ik in dat pensioengat ben gedonderd, begroot het me dat ik dertig jaar geleden niet de tegenwoordigheid van geest had om wat meer aan de toekomst te denken en me voort te planten. Maar die tegenwoordigheid was toen vaak ver te zoeken, evenals de toekomst.

Ik benijd onze nieuwe kennissen in het dorp, die binnen een jaar al meer medebewoners kennen dan wij in de vier jaar dat we hier huis houden. Toegegeven, zij hebben een aardige hond, waardoor zij makkelijk contact maken. Die aso chihuahua’s van ons schrikken potentiële contacten juist af met de oorverdovende uitingen van hun napoleoncomplexjes. Maak dan nog maar eens vrienden. Bovendien zijn de nieuwe kennissen echt mensenmensen. Terwijl het maar niet tot mijn Gyp wil doordringen dat de meeste mensen deugen.  

En dan die vriendin die in den vreemde op huizen en haarden, honden en paarden van expats past, die het thuisland even aandoen. Ligt ze weer aan een of ander privé zwembad met uitzicht op Alpen of Apenijnen, of hoe die kutbergen ook mogen heten. Na haar tweede Gin Tonic neemt ze een frisse duik, zodat ze klaar is voor de derde. Telkens een nieuw avontuurlijk perspectief. Zit ik hier, niet alleen in dat pensioengat, maar ook nog eens in een gat in Noord Groningen met een partner die nog zeven jaar moet werken en mijn vrijheid die afhangt van de oppasbereidheid van de buurvrouw.

De bezoekers van het concert van de Red Hot Chilli Peppers, die uit volle borst alle nummers van hún band meezingen. De passie waarmee ze zich overgeven! Of Gyp, die met schorre stem en glanzende ogen thuiskomt van een concert van Rammstein en het ene superlatief na het andere op dat optreden loslaat. Het enige waaraan ik me ooit volledig heb overgegeven is De Man. En de Volgende en de Volgende… Ik heb een passie voor passie, maar om nu weer een relatie, een zelfs lichtelijk stabiele, relatie, hieraan op te offeren? We weten allemaal hoe dat afloopt...

Zouden er ook mensen jaloers zijn op míj? En waarop dan? Op mijn jeugdige looks? Die vallen vies tegen van dichtbij. De zwaartekracht heeft ook mij niet links laten liggen.
Mijn jonge partner? Tegen de tijd dat hij met pensioen mag, ben ik 74! Op die leeftijd overleed mijn vader, en ik lijk steeds meer op hem…
De eigenschap om me als een kameleon aan te passen aan de steeds andere habitat die elke nieuwe Man met zich meebrengt? Kun je ook als zwakte zien. Gebrek aan eigenheid.

En toch was er iemand die wel eens met een schuin oog naar mij keek. Die ook wel had willen studeren, maar de oorlog... Die de aandacht van mijn vader, haar man, maar moeilijk met mij kon delen. Die stiekem best van de vrijheid van de kinderloosheid had willen proeven, maar altijd een reden wist te verzinnen voor feestjes in bed, die uitmondden in vijf kinderen, tot de huisarts haar in 1960 na het laatste kind de pil voorschreef. Zij, die al die wisselende partners van mij reuze boeiend vond, en bij de laatste zoiets had van: ‘deze moet je maar houden’. En die doodging, geheel tegen haar zin.

Wie moet er nu nog jaloers op mij zijn…

zondag 28 november 2021

Inco materiaal



Uit het niets staan er drie grote, geheel in plastic pakken gehulde kerels in mijn moeders woonkamer. Ik heb ze niet binnen horen komen. Even tevoren had ik de thuiszorg gebeld en de voordeur alvast open gezet. Moeder moest plassen, maar kon niet uit bed komen, zelfs niet met mijn ondersteuning. ’s Nachts was ze half onder het bed gevonden door de jongen van de thuiszorg. Het was hem gelukt haar terug in bed te hijsen. Mogelijk heeft ze letsel opgelopen, waardoor ze nu niet op haar benen kan staan. Van het drama herinnert ze zich niets. Gelukkig maar.
Twee van de drie mannen zijn kaal, de ander heeft zijn lange haar in twee staartjes over zijn schouders hangen. Dat verwart me, is het wel een man? Hij heeft feminiene trekken in zijn gezicht. Ik blijf hem aankijken, hij/zij kijkt terug, zwijgend. ‘Mijn moeder moest plassen en ik heb geprobeerd haar te helpen, maar ze kan niet op haar benen staan,’ zeg ik en ik kijk de mannen een voor een aan. Niet begrijpend staren ze me aan, eveneens zwijgend.

Dan gaat de bel, en even later komt de thuiszorgster binnen. In opperste verwarring vraag ik aan de mannen in pakken: ‘Maar wie zijn júllie dan?’
‘U heeft de huisartsenpost gebeld.’ Ze maken erg weinig woorden vuil aan hun opgepiepte aanwezigheid. 'Is er inco materiaal in huis?'
Nu is het mijn beurt om hem niet begrijpend aan te kijken. 'Inco materiaal?'
‘Luiers, incontinentiemateriaal.’ Nee, dat is er niet. Moeder was tot nu toe hartstikke continent. De thuiszorgster kan regelen dat dit wordt gebracht, maar mijn moeder moet nú plassen.
‘Leg maar een vuilniszak in bed met wat handdoeken, dan moet ze het maar laten lopen,’ suggereert de kale arts, terwijl hij haar heup op mogelijke breuken of kneuzingen onderzoekt.
Ik loop naar de keuken om een vuilniszak te pakken en wanneer ik terugkom, kijk ik recht in het ontblote geboortekanaal waar ik 66 jaar geleden uit ben gegloept. Gebiologeerd bestudeer ik het intieme lichaamsdeel. Ik heb haar lippen, valt me op. Zelfs de haarlijn is hetzelfde. 

Dodelijk vermoeid van al dat gesjor aan haar lijf, valt moeder zonder te plassen in slaap. Met haar wijd open mond doet ze me denken aan mijn stervende schoonvader, die lag er precies zo bij en dat heeft maar een paar uur geduurd. Paniek maakt zich van mij meester. Tegelijkertijd kan ik een gevoel van opluchting niet ontkennen. Ze is zo lang zelfstandig geweest, het is bijna ondraaglijk om haar afhankelijk te zien. Dat is ook het laatste wat ze zelf heeft gewild.
Een paar uur later kan ze haar plas niet meer ophouden, maar ze is intussen voorzien van inco materiaal. ‘Ik pies in mijn broek,’ roept ze vanuit de slaapkamer en wanneer ze het uiteindelijk laat lopen, bromt ze alleszeggend ‘Godverdomme!’.