vrijdag 26 mei 2023

Doodgaan is eigenlijk niet zo moeilijk

 

Ik droom dat Gyp onze chihuahua’s wil afmaken en in een gat naast de snelweg dumpen. Hartverscheurend sta ik er bij te huilen. Via een soort spoorbrug vlucht ik weg van de plaats delict, maar vooral van hem. Wanneer ik om onverklaarbare redenen later toch naar hem terugga, voel ik een immense leegte. Maar waren die tranen wel voor de hondjes bedoeld? Ik durf er mijn beide handen zo voor in het vuur te steken dat Gyp ze nooit iets zal aandoen. De tederheid waarmee hij ze behandelt, sluit elke vorm van agressie uit. 

Die tranen waren voor jou, denk ik. Omdat het licht, de geuren en de geluiden buiten dezelfde zijn als een jaar geleden, toen je zei dat doodgaan eigenlijk niet zo moeilijk was. En ik luchtigjes reageerde met ‘maar jij hebt het nog niet onder de knie.’ Je lachte een van je laatste lachjes. ‘Uw moeder gaat overlijden,’ had de hoofdverpleegkundige even tevoren gezegd. Had je dat gehoord? Of voelde je dat het leven je verliet. Stom dat ik je dat niet heb gevraagd toen je nog kon antwoorden. Hoe lang het ging duren kon de verpleegkundige niet zeggen, maar ze zouden er alles aan doen om het sterven zo comfortabel mogelijk te maken. Wat is er dan oncomfortabel aan sterven op je 98ste als je lichaam op is en je geest de werkelijkheid door elkaar hutselt, vroeg ik me af. 

Aan je neus zouden we kunnen voelen hoever het proces was, hoe kouder hoe dichter bij de dood. Je gezicht leek koortsig en opgezet, je neus juist spitser. Op foto’s en tekeningen van andere stervenden in de expositie ‘Als de dood’, zag ik het zelfde fenomeen, dat sterfgezicht. ‘Zal ik je bril afzetten?’ vroeg ik. ‘Doe maar, die heb ik toch niet meer nodig.’ Je zei het weemoedig, met spijt in je stem. Een verzorgende vroeg of er iets was wat je nog graag zou willen eten. 'Een eitje,' antwoordde je beslist. Een zachtgekookt eitje, daarvoor konden ze je wakker maken. Omdat je mond droog was, kreeg je een verdikt sapje met een chemische geur, die in de verte aan frambozen deed denken. Het was paarsig van kleur. Na een paar slokjes zei je: ‘Hmm, lekker eitje.’ Dacht je werkelijk dat je een gekookt ei had gegeten? Of maakten je hersens dat ervan omdat je het zo graag wilde. Had je dan ook kunnen blijven leven als je het maar genoeg had gewild?

Je ex-schoonzoon belde vanuit Amerika en je sprak met hem in keurig Engels. En nadat je je drankje op had en de verzorgende vroeg of het lekker was, antwoordde je met 'nice'. Konden je hersens het niet meer bijbenen en zat je nog in het telefoongesprek? Er werd je gevraagd of er nog iets was wat je heel graag zou willen. ‘Met de hele familie bij elkaar en dan lekker ruzie maken!’ Typisch jij! Maar was dat echt wat je wilde? Of was het je provocatieve inborst, of wellicht je onvermogen om je gevoelens te tonen. Wilde je eigenlijk niet liever ons allemaal tegen je aantrekken en zeggen dat je van ons hield. De enige keer dat je dat zei, was toen je corona had en een herkansing op het leven aan de einder gloorde. Maar toen mocht je ons niet omhelzen. Ik zei toen: 'Ik hou van je,' en jij antwoordde in het algemeen: ‘Ik hou ook heel veel van jullie.’ Van jullie, niet van jou, van mij dus. Te intiem.

Toen je schoondochter binnenkwam en zich over je heen boog, vertrok je gezicht in een grimas die ik nooit eerder bij je had gezien. ‘Ze hebben mijn moeder vermoord! Ze hebben mijn moeder vermoord!’ jammerde je plotseling. We schrokken. Je schoondochter lijkt niet eens op je moeder. Was het de oorlog die je parten speelde? Toen je moeder overleed, heb je geen traan gelaten. Je vond haar een zelfzuchtige, kille vrouw. Op je zeventiende had ze tegen je gezegd dat als ze moest kiezen tussen jou en je broertje of je vader, ze voor de laatste zou kiezen. Het is je altijd bijgebleven. Dat pa mij op mijn zeventiende hetzelfde vertelde over jou, dat jij voor hem zou kiezen, heb je altijd met klem ontkend. Toen je dementeerde was de afwijzing van je moeder een van de verhalen die steeds terugkwamen. 

‘Jullie mogen geen zelfmoord plegen hoor!’ zei je nog steeds angstig. We haalden de verpleegkundige erbij. Die vroeg of je bang was. 'Ja,' zei je. 'Waarvoor dan?' 'Om dood te gaan!' Jij, die altijd had beweerd niet bang te zijn voor de dood. Stoere... Je kreeg iets tegen de angst en het duurde niet lang tot je in een soort halfbewustzijn raakte. Met open mond lag je op je rug te ademen. Je neus leek alsmaar spitser. Je reageerde nergens meer op. Af en toe vertrok je gezicht in een spasme waaruit we opmaakten dat je pijn had, of niet lekker lag. Dan haalden we de verzorgende erbij. Die overlegde met de arts of ze meer palliatieve medicatie mocht toedienen. Je kreeg een morfinepompje. Een keer eerder was je aan de drugs geweest, toen je was uitgegleden op het beijzelde trapje voor het huis in de Von Weberstraat. Je had een paar ribben gebroken en kermde van de pijn. Ook toen kreeg je iets sterks voorgeschreven en je was hartstikke high. Grappig vonden we dat als kinderen, maar ook gênant.

Op maandagmiddag kleurde de lucht achter het raam in je kamer in het Zonnehuis inktzwart. Dikke druppels roffelden tegen het raam en de donder klonk dichtbij. Je ademde stug door. Je twee jongste zoons, je oudste kleinzoon en ik, je enige dochter, waakten en maakten uit verveling cryptogrammen, waarbij we hilarische oplossingen verzonnen tot we slap van het lachen waren. Respectloos? Was je ‘erbij’ geweest, dan had je net zo hard meegelachen. Je jongste zoon hield tien uur lang je hand vast. Merkte je dat? Deed hij dat om zijn relatieve afwezigheid van de laatste jaren goed te maken? Hij hoefde er niet bij te zijn, had hij gezegd. Je te zien sterven, dat vond hij maar eng. Toch overwon hij zichzelf en hij bleef tot het einde bij je. Ik hoop dat je het fijn vond. We chatten met je zoons in het buitenland. Het was zwaar voor ze om er niet bij te zijn.

Dertig uur duurde het en je lag er nog altijd niet echt comfortabel bij. We voelden aan je neus. Kouder. Warmer. Spitser. En weer kouder. We werden ongedurig. Had je niet lang genoeg geleden? De verpleegkundige wist nog iets wat het proces misschien zou vergemakkelijken. Je werd op je zij gedraaid. ‘Zo kan ze iets makkelijker ademhalen,’ meende ze. Maar niets was minder waar. Het werd juist zwaarder. Binnen tien minuten nadat je op je zij was gelegd blies je je laatste adem uit. Of eigenlijk je een na laatste, want toen we elkaar al wilden condoleren, klapte je nog een keer je kaken stevig op elkaar om ze daarna voorgoed los te laten. Je linkerwang drukte in het kussen, je haar stond alle kanten op, je mond hing schuin open en je paarse tong viel weinig elegant naar buiten. Het was voorbij. We waren wees geworden.

Ik werd een immense afgrond ingezogen en huilde zo oorverdovend dat de snikken van de aanwezige mannen me ontgingen. Ik stortte me in de armen van mijn dichtstbijzijnde broer, tot hij zich losmaakte om de verpleegkundige te waarschuwen. En toen die kwam klampte ik me vast aan haar grote zachte moederlijke lijf. Leegte vulde mijn buik.

Je werd zo oud dat ik me je niet meer als lijk kon voorstellen. Doodgaan leek 98 jaar lang niet aan jou besteed. Maar daar lag je dan met je pimpelpaarse tong uit je mond die was opengesperd in een versteende geeuw. De Schreeuw van Munch was er niets bij.

 

 

donderdag 30 maart 2023

Bosjesmannen

 

Vroeger was ik bang voor enge mannen in de bosjes. Daar had ik alle reden toe, ik had honing aan mijn kleine, maar fijne kont. Regelmatig werd ik achtervolgd en/of blootgesteld aan zwengelende geslachtsdelen in meer of minder erecte toestand. Dit vond meestal plaats in de stad, zoals in de Oude Kijk in ’t Jat, of aan de Vismarkt. Of in het, over het algemeen, druk bevolkte Noorderplantsoen. Donker hoefde het er niet voor te zijn. Het kon maar zo midden op de dag gebeuren. Ook het weer maakte geen verschil, zon, regen, vrieskou, zwengelen zouden ze, die leuters. Soms ging dat gepaard met intens starende blikken, soms met een soort ‘vieze man’ gekreun. Echt bedreigend, zodat ik me uit de voeten moest maken, werd het nooit. Wellicht was dit te danken aan viervoeters Jodocus en Bor, die me vaak vergezelden en waarvan er een in al zijn vuilnisbakkerige onschuld best kon worden aangezien voor een vervaarlijke bouvier. Nee, geduchter moest ik zijn voor bekenden, hoe cliché. In hen school het echte gevaar.

Nu ben ik op een leeftijd dat ik vervuld van weemoed terugdenk aan de mannen die me nafloten, -riepen of op hun zaakje trakteerden. Deden ze dat nog maar eens, fluiten, roepen, maar die ontwikkeling is helaas onomkeerbaar. De zaakjes mogen ze in hun broek houden. Ik zou er vooral om moeten lachen en dat vind ik dan toch ook sneu; wie zichzelf zo manifesteert, is vast hartstikke eenzaam of ongelukkig.

Vandaag de dag is mijn grootste angst dat ik in diezelfde bosjes bezwijk aan een hartstilstand of beroerte, en pas dagen later gevonden word. Ondanks de, van schoonmama geërfde, bejaarde chihuahua’s die ik uitlaat in die bosjes. De schoothondjes zullen niet aanslaan. Integendeel. Kunnen ze een keer legitiem keffen... Ze zullen plaatsnemen op mijn ontzielde lichaam en net zo lang stil blijven liggen tot we gevonden worden. Zo ging het ook bij schoonmama, toen die in het bosje van haar dochter(s) na een verbeten strijd met woekerende braamstruiken, plotsklaps het leven liet. Terwijl dochterlief eerste en tevens laatste hulp bood, gingen Puck en Sam op hun vrouwtje zitten. En toen schoonmama later in huis op de grond werd neergelegd in afwachting van de lijkwagen, vleiden ze zich tegen haar aan, als om haar warm te houden. Het mocht niet baten.

Mijn schrikbeeld; dat ik omval in de bosjes en nooit meer warm word, en dat die twee keffertjes juist dan voor de verandering hun bek houden.

donderdag 16 maart 2023

Alweer jarig

 

Alsof het gisteren was, zo voelen dingen steeds vaker. Zo ook mijn verjaardag. Heb ik die niet net nog gevierd? Ik vind het overigens geen straf om dat alweer te doen, al is het de eerste verjaardag zonder mijn moeder. Vorig jaar was ze hem toch al vergeten. Ik zocht haar toen zelf maar op in het Zonnehuis. Op haar kamer was ze niet en ook niet in de woonkamer. Ze bevond zich in een vertrek waar ze zogenaamd de griepprik kreeg. In werkelijkheid werd ze geprikt tegen corona, maar demente bejaarden konden aanslaan op het woord corona. Samen met een handjevol medebewoners zat ze aan een vierkante tafel met grote punten slagroomtaart erop. Om de prik te verzachten, dacht ik, maar er bleek nog iemand jarig, die rommelig werd toegezongen. Moeder was hogelijk verbaasd mij te zien in deze setting. Ze snapte überhaupt niet goed wat ze in die duistere ruimte moest. ‘Je krijgt de griepprik,’ zweerde ik samen. 'O, nou ja, dat moet ook gebeuren.' Bang voor naalden was ze niet en dat ze die injectie allang had gehad, daar had ze geen herinnering aan. Toen ik haar erop attent maakte dat het mijn verjaardag was, schaamde ze zich. Maar ook dat was ze snel vergeten.

Het is nu ook de eerste verjaardag dat tante Martha op bezoek zou komen. Geen echte tante, maar een nicht van moeder, over wie ze altijd zei: ‘Als je die aan de telefoon krijgt, dan ben je nog niet klaar!’ Later zei Martha hetzelfde over haar. Toch belden ze geregeld. Ik had Martha misschien twee keer gezien in mijn leven, waarvan een keer toevallig bij Noordpolderzijl op een uitje met moeder. Het Zielhoes aldaar bleek Martha’s tweede thuis. Ze woonde in Uithuizen, een half uurtje rijden bij Gyp vandaan, míjn tweede thuis. Drie jaar lang dacht ik regelmatig, ik zou eens bij haar op bezoek moeten, ze woont zo dichtbij. Het kwam er pas van nadat moeder overleed en ik Martha aan de lijn kreeg. En nog niet klaar was. We spraken af en het was familie op het eerste gezicht. Ze was het laatste lijntje naar mijn moeder van die generatie en zat vol familiegeschiedenis. Nu is ze dood en zal ze nooit op mijn verjaardag zijn geweest. Had ik maar... Was ik maar eerder… Die sterfelijkheid begint aardig opdringerig te worden en dat is helaas een voortschrijdende realiteit. Maar ik ben er nog, al 68 jaar en vooralsnog medicijnvrij. Afkloppeh!

Gyp neemt me mee uit eten met een biertje in de Wolthoorn vooraf. Beetje atypisch vind ik dat wel, maar ik sla er geen acht op. Hij doet het voor mij, omdat ik jarig ben. Ik zie hem onder de tafel met zijn telefoon spelen, ook daar besteed ik geen aandacht aan. In het restaurant Betere Tijden, biedt de bediening ons meteen een driegangenmenu aan, terwijl je kunt kiezen tussen drie en vier gangen. Ook dat ontgaat me. Mijn huisarts komt het restaurant binnen en neemt twee tafels verderop plaats aan een tafel vol vermoedelijke ex-studiegenoten. Ik doe mijn best om niet haar kant op te kijken. Lijkt me niks om patiënten in het wild tegen te komen. Of we het dessert nu al willen, of nog even willen wachten, vraagt de iets te vriendelijke jongeman met meer tanden dan haar. Gyp wil nog wel even wachten. Dat verbaast me en ik merk op dat hij thuis het toetje altijd meteen na de hoofdmaaltijd naar binnen werkt. Iets wat mij tegen de borst stuit. Na het dessert neemt hij zelfs nog een kopje koffie, dat doet hij nooit! Hij zal het wel voor mij doen, denk ik maar.

We gaan eerst naar mijn huis. Hij om de fiets te pakken en ik mijn spullen. ‘Ik loop nog wel even met je mee,’ zegt hij en ik denk, prima. Maar ook, je gaat wel erg ver voor mijn verjaardag. Met mijn jas nog aan open ik de voordeur en vervolgens de kamerdeur. Krijg nou wat, er hangen slingers. Toen we twee uur geleden naar het restaurant gingen, hingen die er nog niet. En wat doen al die champagneglazen daar? Plotseling klinkt er muziek en van achter de gordijnen, de tafel en uit de slaapkamer komen allemaal mensen met feestmutsen en toeters tevoorschijn. Dit gebeurt niet, ik droom. Verdwaasd kijk ik de kamer rond en herken vele vrienden, en een neef. Ik schiet vol bij de eerste gedachte die in me opkomt: Dit kan ik niet meer met mijn moeder delen.

Later op de avond vallen er heel wat kwartjes…