donderdag 30 maart 2023

Bosjesmannen

 

Vroeger was ik bang voor enge mannen in de bosjes. Daar had ik alle reden toe, ik had honing aan mijn kleine, maar fijne kont. Regelmatig werd ik achtervolgd en/of blootgesteld aan zwengelende geslachtsdelen in meer of minder erecte toestand. Dit vond meestal plaats in de stad, zoals in de Oude Kijk in ’t Jat, of aan de Vismarkt. Of in het, over het algemeen, druk bevolkte Noorderplantsoen. Donker hoefde het er niet voor te zijn. Het kon maar zo midden op de dag gebeuren. Ook het weer maakte geen verschil, zon, regen, vrieskou, zwengelen zouden ze, die leuters. Soms ging dat gepaard met intens starende blikken, soms met een soort ‘vieze man’ gekreun. Echt bedreigend, zodat ik me uit de voeten moest maken, werd het nooit. Wellicht was dit te danken aan viervoeters Jodocus en Bor, die me vaak vergezelden en waarvan er een in al zijn vuilnisbakkerige onschuld best kon worden aangezien voor een vervaarlijke bouvier. Nee, geduchter moest ik zijn voor bekenden, hoe cliché. In hen school het echte gevaar.

Nu ben ik op een leeftijd dat ik vervuld van weemoed terugdenk aan de mannen die me nafloten, -riepen of op hun zaakje trakteerden. Deden ze dat nog maar eens, fluiten, roepen, maar die ontwikkeling is helaas onomkeerbaar. De zaakjes mogen ze in hun broek houden. Ik zou er vooral om moeten lachen en dat vind ik dan toch ook sneu; wie zichzelf zo manifesteert, is vast hartstikke eenzaam of ongelukkig.

Vandaag de dag is mijn grootste angst dat ik in diezelfde bosjes bezwijk aan een hartstilstand of beroerte, en pas dagen later gevonden word. Ondanks de, van schoonmama geërfde, bejaarde chihuahua’s die ik uitlaat in die bosjes. De schoothondjes zullen niet aanslaan. Integendeel. Kunnen ze een keer legitiem keffen... Ze zullen plaatsnemen op mijn ontzielde lichaam en net zo lang stil blijven liggen tot we gevonden worden. Zo ging het ook bij schoonmama, toen die in het bosje van haar dochter(s) na een verbeten strijd met woekerende braamstruiken, plotsklaps het leven liet. Terwijl dochterlief eerste en tevens laatste hulp bood, gingen Puck en Sam op hun vrouwtje zitten. En toen schoonmama later in huis op de grond werd neergelegd in afwachting van de lijkwagen, vleiden ze zich tegen haar aan, als om haar warm te houden. Het mocht niet baten.

Mijn schrikbeeld; dat ik omval in de bosjes en nooit meer warm word, en dat die twee keffertjes juist dan voor de verandering hun bek houden.

donderdag 16 maart 2023

Alweer jarig

 

Alsof het gisteren was, zo voelen dingen steeds vaker. Zo ook mijn verjaardag. Heb ik die niet net nog gevierd? Ik vind het overigens geen straf om dat alweer te doen, al is het de eerste verjaardag zonder mijn moeder. Vorig jaar was ze hem toch al vergeten. Ik zocht haar toen zelf maar op in het Zonnehuis. Op haar kamer was ze niet en ook niet in de woonkamer. Ze bevond zich in een vertrek waar ze zogenaamd de griepprik kreeg. In werkelijkheid werd ze geprikt tegen corona, maar demente bejaarden konden aanslaan op het woord corona. Samen met een handjevol medebewoners zat ze aan een vierkante tafel met grote punten slagroomtaart erop. Om de prik te verzachten, dacht ik, maar er bleek nog iemand jarig, die rommelig werd toegezongen. Moeder was hogelijk verbaasd mij te zien in deze setting. Ze snapte überhaupt niet goed wat ze in die duistere ruimte moest. ‘Je krijgt de griepprik,’ zweerde ik samen. 'O, nou ja, dat moet ook gebeuren.' Bang voor naalden was ze niet en dat ze die injectie allang had gehad, daar had ze geen herinnering aan. Toen ik haar erop attent maakte dat het mijn verjaardag was, schaamde ze zich. Maar ook dat was ze snel vergeten.

Het is nu ook de eerste verjaardag dat tante Martha op bezoek zou komen. Geen echte tante, maar een nicht van moeder, over wie ze altijd zei: ‘Als je die aan de telefoon krijgt, dan ben je nog niet klaar!’ Later zei Martha hetzelfde over haar. Toch belden ze geregeld. Ik had Martha misschien twee keer gezien in mijn leven, waarvan een keer toevallig bij Noordpolderzijl op een uitje met moeder. Het Zielhoes aldaar bleek Martha’s tweede thuis. Ze woonde in Uithuizen, een half uurtje rijden bij Gyp vandaan, míjn tweede thuis. Drie jaar lang dacht ik regelmatig, ik zou eens bij haar op bezoek moeten, ze woont zo dichtbij. Het kwam er pas van nadat moeder overleed en ik Martha aan de lijn kreeg. En nog niet klaar was. We spraken af en het was familie op het eerste gezicht. Ze was het laatste lijntje naar mijn moeder van die generatie en zat vol familiegeschiedenis. Nu is ze dood en zal ze nooit op mijn verjaardag zijn geweest. Had ik maar... Was ik maar eerder… Die sterfelijkheid begint aardig opdringerig te worden en dat is helaas een voortschrijdende realiteit. Maar ik ben er nog, al 68 jaar en vooralsnog medicijnvrij. Afkloppeh!

Gyp neemt me mee uit eten met een biertje in de Wolthoorn vooraf. Beetje atypisch vind ik dat wel, maar ik sla er geen acht op. Hij doet het voor mij, omdat ik jarig ben. Ik zie hem onder de tafel met zijn telefoon spelen, ook daar besteed ik geen aandacht aan. In het restaurant Betere Tijden, biedt de bediening ons meteen een driegangenmenu aan, terwijl je kunt kiezen tussen drie en vier gangen. Ook dat ontgaat me. Mijn huisarts komt het restaurant binnen en neemt twee tafels verderop plaats aan een tafel vol vermoedelijke ex-studiegenoten. Ik doe mijn best om niet haar kant op te kijken. Lijkt me niks om patiënten in het wild tegen te komen. Of we het dessert nu al willen, of nog even willen wachten, vraagt de iets te vriendelijke jongeman met meer tanden dan haar. Gyp wil nog wel even wachten. Dat verbaast me en ik merk op dat hij thuis het toetje altijd meteen na de hoofdmaaltijd naar binnen werkt. Iets wat mij tegen de borst stuit. Na het dessert neemt hij zelfs nog een kopje koffie, dat doet hij nooit! Hij zal het wel voor mij doen, denk ik maar.

We gaan eerst naar mijn huis. Hij om de fiets te pakken en ik mijn spullen. ‘Ik loop nog wel even met je mee,’ zegt hij en ik denk, prima. Maar ook, je gaat wel erg ver voor mijn verjaardag. Met mijn jas nog aan open ik de voordeur en vervolgens de kamerdeur. Krijg nou wat, er hangen slingers. Toen we twee uur geleden naar het restaurant gingen, hingen die er nog niet. En wat doen al die champagneglazen daar? Plotseling klinkt er muziek en van achter de gordijnen, de tafel en uit de slaapkamer komen allemaal mensen met feestmutsen en toeters tevoorschijn. Dit gebeurt niet, ik droom. Verdwaasd kijk ik de kamer rond en herken vele vrienden, en een neef. Ik schiet vol bij de eerste gedachte die in me opkomt: Dit kan ik niet meer met mijn moeder delen.

Later op de avond vallen er heel wat kwartjes…

vrijdag 15 juli 2022

Janken


De uitgeknipte ogen van de intussen overleden man kijken me aan vanaf het tafelblad. Ik kan wel janken. Toen de foto werd genomen, wist hij dat zijn einde nabij was. Hij liet zich vereeuwigen, gekleed in slechts zijn luierbroek. Dapper. Ik kwam hem tegen in het blad Relevant van de SVVE, de stichting voor vrijwillig levenseinde. Ik knipte hem uit om te gebruiken in een collage. Maar die ogen zijn te intens. Te dicht bij de dood.

Op weg naar huis fietste ik over de Kerklaan waar ik voor de Coöp mijn beste vriendin zag staan, in geanimeerd gesprek. Ik kende deze gesprekspartner niet en toen ik stopte achter het reclamebord dat ons scheidde, maakte ik uit zijn woorden op dat hij een klusser is. Omdat die tegenwoordig zwaar overbevraagd zijn, en ik weet dat mijn vriendin bouwplannen heeft, maakte ik mijn aanwezigheid niet kenbaar en bleef muisstil achter het reclamebord staan. De man zag mij staan luistervinken, maar paste zijn volume niet aan.
Wel wat raar, zo achter haar rug, half verstopt, met mijn hoofd boven het bord uit, dus besloot ik eerst naar de Coöp te gaan. Dat gesprek zou nog wel even duren. Ik zette mijn fiets op slot en liep naar binnen. Mijn vriendin keek niet op of om. Veel had ik niet nodig, bij de nibbits twijfelde ik. Gewapend met een zakje muesli en een hard broodje stond ik uiteindelijk bij de kassa. Vanaf daar had ik zicht op de straat en zag ik mijn vriendin aanstalten maken om te vertrekken. Er was nog een klant voor me en ik kon me niet zo snel uit de voeten maken. Gedwee wachtte ik op mijn beurt.
Buitengekomen was ze verdwenen. Wat te doen? Ze woont om de hoek van de Kerklaan. Ik had haar achterna kunnen fietsen. Maar zat ze wel op mij te wachten? Die boodschappentas aan haar stuur was behoorlijk vol, ze kreeg vast eters. Zo dralend was ik eigenlijk allang blij dat ik haar zo geanimeerd had zien praten met die man. Ik maak me zorgen over haar. Sinds ze twee jaar geleden corona had, is ze nooit meer de oude geworden. Elke overvliegende bacil blijft aan haar kleven, lijkt het wel. Haar longen hebben een enorme opdonder gehad en herstellen, ho maar. Toen ik langs haar straat fietste, draalde ik nog wat meer. Zal ik, zal ik niet? Met een brok in mijn keel van zoveel besluiteloosheid reed ik door. Ik kon wel janken.

Vanochtend was ik met Sam, de kleinste chihuahua, naar de dierenarts. Zijn tandvlees was ontstoken en hij meurde vreselijk uit zijn straatje. Hij had antibiotica gehad. En wij moesten zijn tandjes poetsen, want hij had te veel plak. En zo werden wij van zijn grootste vriendjes, zijn grootste vijanden. Zodra hij de tandenborstel in het vizier krijgt, kruipt hij met zijn staart tussen zijn pootjes weg. Maar het poetsen hielp, hij meurt minder en kauwt er weer lustig op los. De eerste dierenarts die hem zag, had gedreigd met tandentrekking onder narcose. Dat zou zo’n kleine hond fataal kunnen worden. De dierenarts van vanochtend daarentegen, vond dat middel erger dan de kwaal. Hij had vieze tandjes, nou en, hebben mensen ook wel eens. Geef je hem alleen hondenvoer te eten? Hoeft niet hoor, mensen gaan toch ook naar de snackbar! Een nogal ander geluid. Dit beviel mij een stuk beter. ‘En dat is geen hondje  van twaalf,’ merkte ze bij het afscheid ook nog op. Opgelucht verliet ik de spreekkamer en ging meteen twintig verschillende kauwstaafjes inslaan. Blij dat het beestje ons niet onder narcose zou ontvallen. Blij dat hij niet zo oud was als in zijn paspoort staat. Je hecht je zo hè?

Met een licht gemoed kwam ik thuis. Totdat ik die foto zag op de familieapp. De foto van broer 3 die op bezoek was bij zijn nieuwe oude vriendin, Lien. Een demente vrouw die bij mijn moeder op de afdeling van het verpleeghuis zat, waar Lien nog altijd zit. Schat van een mens en nog redelijk bij de pinken. Mijn lieve broer daar te zien zonder mijn moeder. We hadden het er deze week nog met elkaar over, dat het verdriet eigenlijk best meeviel. Dat we er vrede mee hadden. Ze was oud en op. Het was goed zo.

Maar ik kan wel janken.

dinsdag 5 juli 2022

Jaloers

 

Soms kan ik zo jaloers zijn. Groen en geel zien. Vol afgunst kijk ik dan bijvoorbeeld naar het (bijna) perfecte leven van de broer die elke week kleinkinderen te logeren heeft die hem de liefste opa van de wereld vinden. Zelfs liever dan hun biologische opa.

Nu ik in dat pensioengat ben gedonderd, begroot het me dat ik dertig jaar geleden niet de tegenwoordigheid van geest had om wat meer aan de toekomst te denken en me voort te planten. Maar die tegenwoordigheid was toen vaak ver te zoeken, evenals de toekomst.

Ik benijd onze nieuwe kennissen in het dorp, die binnen een jaar al meer medebewoners kennen dan wij in de vier jaar dat we hier huis houden. Toegegeven, zij hebben een aardige hond, waardoor zij makkelijk contact maken. Die aso chihuahua’s van ons schrikken potentiële contacten juist af met de oorverdovende uitingen van hun napoleoncomplexjes. Maak dan nog maar eens vrienden. Bovendien zijn de nieuwe kennissen echt mensenmensen. Terwijl het maar niet tot mijn Gyp wil doordringen dat de meeste mensen deugen.  

En dan die vriendin die in den vreemde op huizen en haarden, honden en paarden van expats past, die het thuisland even aandoen. Ligt ze weer aan een of ander privé zwembad met uitzicht op Alpen of Apenijnen, of hoe die kutbergen ook mogen heten. Na haar tweede Gin Tonic neemt ze een frisse duik, zodat ze klaar is voor de derde. Telkens een nieuw avontuurlijk perspectief. Zit ik hier, niet alleen in dat pensioengat, maar ook nog eens in een gat in Noord Groningen met een partner die nog zeven jaar moet werken en mijn vrijheid die afhangt van de oppasbereidheid van de buurvrouw.

De bezoekers van het concert van de Red Hot Chilli Peppers, die uit volle borst alle nummers van hún band meezingen. De passie waarmee ze zich overgeven! Of Gyp, die met schorre stem en glanzende ogen thuiskomt van een concert van Rammstein en het ene superlatief na het andere op dat optreden loslaat. Het enige waaraan ik me ooit volledig heb overgegeven is De Man. En de Volgende en de Volgende… Ik heb een passie voor passie, maar om nu weer een relatie, een zelfs lichtelijk stabiele, relatie, hieraan op te offeren? We weten allemaal hoe dat afloopt...

Zouden er ook mensen jaloers zijn op míj? En waarop dan? Op mijn jeugdige looks? Die vallen vies tegen van dichtbij. De zwaartekracht heeft ook mij niet links laten liggen.
Mijn jonge partner? Tegen de tijd dat hij met pensioen mag, ben ik 74! Op die leeftijd overleed mijn vader, en ik lijk steeds meer op hem…
De eigenschap om me als een kameleon aan te passen aan de steeds andere habitat die elke nieuwe Man met zich meebrengt? Kun je ook als zwakte zien. Gebrek aan eigenheid.

En toch was er iemand die wel eens met een schuin oog naar mij keek. Die ook wel had willen studeren, maar de oorlog... Die de aandacht van mijn vader, haar man, maar moeilijk met mij kon delen. Die stiekem best van de vrijheid van de kinderloosheid had willen proeven, maar altijd een reden wist te verzinnen voor feestjes in bed, die uitmondden in vijf kinderen, tot de huisarts haar in 1960 na het laatste kind de pil voorschreef. Zij, die al die wisselende partners van mij reuze boeiend vond, en bij de laatste zoiets had van: ‘deze moet je maar houden’. En die doodging, geheel tegen haar zin.

Wie moet er nu nog jaloers op mij zijn…

zondag 28 november 2021

Inco materiaal



Uit het niets staan er drie grote, geheel in plastic pakken gehulde kerels in mijn moeders woonkamer. Ik heb ze niet binnen horen komen. Even tevoren had ik de thuiszorg gebeld en de voordeur alvast open gezet. Moeder moest plassen, maar kon niet uit bed komen, zelfs niet met mijn ondersteuning. ’s Nachts was ze half onder het bed gevonden door de jongen van de thuiszorg. Het was hem gelukt haar terug in bed te hijsen. Mogelijk heeft ze letsel opgelopen, waardoor ze nu niet op haar benen kan staan. Van het drama herinnert ze zich niets. Gelukkig maar.
Twee van de drie mannen zijn kaal, de ander heeft zijn lange haar in twee staartjes over zijn schouders hangen. Dat verwart me, is het wel een man? Hij heeft feminiene trekken in zijn gezicht. Ik blijf hem aankijken, hij/zij kijkt terug, zwijgend. ‘Mijn moeder moest plassen en ik heb geprobeerd haar te helpen, maar ze kan niet op haar benen staan,’ zeg ik en ik kijk de mannen een voor een aan. Niet begrijpend staren ze me aan, eveneens zwijgend.

Dan gaat de bel, en even later komt de thuiszorgster binnen. In opperste verwarring vraag ik aan de mannen in pakken: ‘Maar wie zijn júllie dan?’
‘U heeft de huisartsenpost gebeld.’ Ze maken erg weinig woorden vuil aan hun opgepiepte aanwezigheid. 'Is er inco materiaal in huis?'
Nu is het mijn beurt om hem niet begrijpend aan te kijken. 'Inco materiaal?'
‘Luiers, incontinentiemateriaal.’ Nee, dat is er niet. Moeder was tot nu toe hartstikke continent. De thuiszorgster kan regelen dat dit wordt gebracht, maar mijn moeder moet nú plassen.
‘Leg maar een vuilniszak in bed met wat handdoeken, dan moet ze het maar laten lopen,’ suggereert de kale arts, terwijl hij haar heup op mogelijke breuken of kneuzingen onderzoekt.
Ik loop naar de keuken om een vuilniszak te pakken en wanneer ik terugkom, kijk ik recht in het ontblote geboortekanaal waar ik 66 jaar geleden uit ben gegloept. Gebiologeerd bestudeer ik het intieme lichaamsdeel. Ik heb haar lippen, valt me op. Zelfs de haarlijn is hetzelfde. 

Dodelijk vermoeid van al dat gesjor aan haar lijf, valt moeder zonder te plassen in slaap. Met haar wijd open mond doet ze me denken aan mijn stervende schoonvader, die lag er precies zo bij en dat heeft maar een paar uur geduurd. Paniek maakt zich van mij meester. Tegelijkertijd kan ik een gevoel van opluchting niet ontkennen. Ze is zo lang zelfstandig geweest, het is bijna ondraaglijk om haar afhankelijk te zien. Dat is ook het laatste wat ze zelf heeft gewild.
Een paar uur later kan ze haar plas niet meer ophouden, maar ze is intussen voorzien van inco materiaal. ‘Ik pies in mijn broek,’ roept ze vanuit de slaapkamer en wanneer ze het uiteindelijk laat lopen, bromt ze alleszeggend ‘Godverdomme!’.

donderdag 21 oktober 2021

Geen bloemenzee

 


Geen bloemenzee. Had ik wel verwacht, gezien de hedendaagse behoefte ons medeleven met het lot van volslagen vreemden, wereldkundig te maken door bloemen te leggen op plekken des onheils. Een kort nieuwsbericht: Dodelijke val van het Forum in Groningen. Een noodlottig incident. Punt. Hoe kwam die man over die hoge glazen omheining op het dak van het Forum? Dat zou ik willen weten. Was het een monteur die aan de airco werkte en zijn evenwicht verloor? Was het een suïcidale man die met voorbedachten rade van het dak sprong? Maar hoe? HOE? En waarom wil ik het weten? Ik ken hem niet. Ik ken (helaas) geen enkele 45-jarige man meer. Ben ik dan zo sensatiebelust? En ben ik de enige die zich dit afvraagt? 

Dat dit een keer zou gebeuren had ik wel verwacht, maar eerder binnen in het gebouw. Er lopen genoeg verwarde mensen rond. Vanaf de roltrappen, of de verdiepingen sla je zo je been over de leuning en zie dan je evenwicht maar te bewaren. Ook daar zag ik de bloemenzee al voor me.

De dood van de onbekende man hangt als een loden deken om het gebouw. De zoveelste schandvlek in het nog prille bestaan. Dat megalomane, energie slurpende bouwwerk met zijn weinig efficiënte indeling, dat meer weg heeft van een vliegveld of Bijenkorffiliaal dan van een multimediale  ontmoetingsplek. Toch voelt het voor mij als een tweede huiskamer, waar vreemden bekenden lijken. Een lichte opwinding maakt zich van mij meester elke keer dat ik het Forum betreed. Het nodigt mij uit tot lezen, tot zijn. Hier voel ik me niet oud. Hier voel ik mij stadjer.

Enigszins nerveus parkeerde ik de auto in de parkeergarage van het Forum. Ik had geen idee waar het incident precies had plaatsgevonden en was best bang voor de bloemenzee. Zelf heb ik nooit bloemen gelegd voor een onfortuinlijke onbekende, ieder zijn ding. Het is druk, herfstvakantiedruk. Onwillekeurig kijk ik buiten om me heen. Een rood witte afzetting markeert de plek van het fatale incident. Erbinnen zijn de stoeptegels verwijderd. ‘Daar zit een gat in de grond,’ wijs ik Gyp. ‘Hoezo?’ Goedgelovigheid is niet een van zijn sterkste eigenschappen. Op bijna alles wat ik vertel reageert hij met: ‘werkelijk?’. ‘Als mensen van zo’n hoogte vallen, ontstaat er een gat. Reken maar uit, gewicht maal snelheid.' Ik zie Gyp in gedachten rekenen. 

Een keer ben ik getuige geweest van zo’n gat. In Co-op City in New York, waar mijn schoonfamilie woonde. Het was weliswaar opnieuw betegeld, maar er zat toch duidelijk een verlaging in het trottoir onder de 24 verdiepingen tellende flat. De flat van waaruit ik eens op mijn hoofd werd gespuugd. Er landde nattigheid op mijn kruin, en dan denk je: vogelpoep brengt geluk! Nou stond Co-op City niet bepaald bekend om zijn grote vogelpopulatie. Eekhoorns waren er des te meer. Ook gezellig. Ik woelde met mijn vingers door de slijmerige klodder op mijn haar en bracht ze vervolgens naar mijn neus, je wilt het toch zeker weten. Tabak! Getver! Mijn ogen schoten omhoog langs de 24 verdiepingen. Van de dader geen spoor. Die stond waarschijnlijk in zijn vuistje te lachen achter de jaloezieën. De kwak maakte geen gat in mijn hoofd.

vrijdag 1 oktober 2021

Welke kapsels passen bij een oudere dame

 


Nu het beginnend pensioneren langzamerhand vorm krijgt, een vorm waarvoor ik mij lichtelijk schaam; het heeft meer weg van lamstralen dan van het zwierige Zwitserlevengevoel, breng ik veel tijd door op het wereldwijde web van leugens. Als willoos slachtoffer laat ik mij verleiden links met non-informatie aan te klikken. En zo kwam ik op Welke kapsels passen bij een oudere dame? Een vraag die ik mij regelmatig stel, met een kapsel dat langer is dan dat van de gemiddelde 65+ster. Meestal hangt het haar maar wat, een afspiegeling van mijn recente gemoedstoestand. Wel besloot ik afscheid te nemen van mijn pony (die op mijn voorhoofd), dat vind ik op mijn leeftijd echt niet meer kunnen. Gevolg is dat het aangroeiende plukje voorhoofdshaar nu óf voor mijn ogen hangt, óf met een klein knipje aan de zijkant vast zit, wat er kinderlijker uitziet dan die hele vermaledijde pony. Ooit zal mijn pony een paard zijn met een staart…

Welke kapsels passen volgens FB bij oudere dames? ‘Een mooi kapsel kan je gezicht zelfs jarenlang, zelfs decennia lang laten stralen. Omdat het helpt om rimpels te verbergen, de kenmerken van uw kaken opnieuw te definiëren. U kunt uw leeftijd verbergen. ‘Deze 60 chique kapsels helpen je bij het kiezen van de beste look.’ Tijdens het lezen schiet ik meteen in de redacteursstand. Je en u door elkaar als aanspreekvorm. Ergerlijk! Twee keer ‘zelfs’ in een zin! Je gezicht dat zelfs jarenlang, nee zelfs decennialang straalt! Hoezo moet je als oudere dame nog decennialang stralen? Het kan elk moment afgelopen zijn! En dan de meest fantastische eigenschappen die aan de kapsels worden toegedicht! Je kapsel dat je leeftijd verbergt, je helpt kiezen bij de beste look. Bieslook? Of toch knoflook? Wel handig voor de keukenprinsesjes onder ons.

1. De edgy Short Cut

‘De Edgy Short Cut is een van de kapsels die geschikt is voor alle lagen van de bevolking.’ Alle lagen van de bevolking?! Ik wil er toch niet bij lopen als een tokkie?! ‘Het is echter een kapsel waardoor je er wat jonger uitziet.’ Echter? Is jonger niet het hoogste levensdoel van de oudere dame? ‘Dus dit is een kapsel dat voor jou is gemaakt. Omdat maar heel weinig mensen ouder willen worden.’ DUS! Dit kapsel is voor mij gemaakt, omdat het merendeel niét ouder wil worden. Ouder dan wie? Of willen ze geen kinderen? Willen ze dood misschien? Hebben ze ook geen edgy Short Cut meer nodig… En wie zijn die weinige mensen die wél ouder willen worden? En waarom in godsnaam!

2 De stompe A-lijn bob

‘Er zijn kapsels die bestand zijn tegen de grillen van de tijd en de rage.’ Bestand tegen de grillen van de rage, het is bijna hogere dichtkunst. ‘Dit is het geval met de stompe A-lijn Bob-snit. Veel vrouwen vinden het leuk omdat dit kapsel sommige onvolkomenheden in het gezicht helpt verbergen.’ Het moet niet gekker worden! Niet alleen de rimpels en de leeftijd, nu ook nog sommige onvolkomenheden die je kunt verbergen! Wat blijft er nog wél zichtbaar? Die onvolkomenheden die je juist het liefst wilde verbergen zeker. ‘Je weet het misschien niet, maar het zorgt ervoor dat je gezicht er verfijnd uitziet. U zult dus altijd schitterend zijn. maak je er geen zorgen over.’ Verfijnd en schitterend, u en jij, wauw! Wass will das Weib noch mehr?