vrijdag 16 februari 2018

Sneeuwbillen

Of ik mee ging schaatsen, vroeg vriendje Gijs. Het had al een paar weken gevroren en zelfs het Zwarte Water zat dicht. Toen hij me vroeg nam ik dan ook aan dat we net als de andere kinderen van clubhuis de Klooienberg het Zwarte Water achter de dijk zouden verkennen. Maar Gijs had andere plannen. Hij wilde exclusiviteit met mij. We gingen immers met elkaar en dan had je geen pottenkijkers nodig.
Mijn vader had het niet zo op Gijs. Mister Cellotape noemde hij hem schertsend, omdat Gijs op zaterdagavond op de bank voor de buis altijd zijn arm om mij heen sloeg. Geheel onschuldig, dacht ik. Die arm was een doorn in het oog van mijn vader. Het waren dit soort armen waartegen hij mij wilde beschermen. Dit soort armen waarom hij mij uit het clubhuis haalde en naar huis trapte. Waarvoor hij zich dan later weer verontschuldigde door zijn eigen armen iets te stevig om mij heen te slaan.

Toen Gijs me kwam halen zaten we nog aan het ontbijt met het hele gezin. Voordat mijn broers vervelende opmerkingen konden maken, schrokte ik mijn laatste stuk brood naar binnen en stond op om mijn schaatsen te pakken. Grote witte kunstschaatsen die zo bot waren dat ik er beter mee achteruit kon schaatsen dan vooruit, maar ze stonden zo elegant. Gijs was met de fiets en ik mocht achterop. Dat leek me geen goed idee, stilzitten in deze vrieskou. Dus pakte ik mijn eigen fiets uit het souterrain. Lichtelijk teleurgesteld fietste Gijs naast me. Ik keek naar hem. Zijn pukkelige wangen waren nog roder dan anders. Het vette slierterige haar was te lang om netjes te zijn en te kort om hip te zijn. Zijn lippen waren altijd vochtig, alsof hij leed aan overtollige speekselvorming. Een zwarte soulbroek met wijde pijpen en gespjes op de heupen en een strak, felgeel tricot truitje met lakplastic vetersluiting was zijn favoriete outfit. Volgens de laatste soulkikkermode. Dat vond ik aantrekkelijk aan hem, zijn verschijning. Van zijn intellect hoefde ik het niet te hebben. Hij was gestopt met de lts om in de groentezaak van zijn vader te gaan werken en had geen enkele andere ambitie of interesse. De boeken die ik verslond, de gedichten die ik schreef, ik hoefde er met hem niet over te beginnen. Hij zou me niet begrijpend aankijken. Ik probeerde het niet eens.

We fietsten in de richting van de stal waar ik de clubhuispaarden altijd verzorgde. Wat valt daar nou te schaatsen? schoot het door me heen. Maar bij de stal aangekomen trapte Gijs in hetzelfde tempo voort, totdat we bij een brede sloot aankwamen ergens midden in het land. Zo ver voorbij de stal was ik nog nooit geweest. `Zet je fiets daar maar neer,' zei Gijs en wees op het gammele houten hek van een aangrenzend weiland. Zelf zette hij zijn fiets tegen een licht overhellende boom. Gezeten op een kale stronk bond hij zijn Friese doorlopers onder. Ik bleef erbij staan terwijl ik onhandig mijn laarzen uit en mijn kunstschaatsen aan deed. Ons schoeisel verborgen we onder de bosjes langs de slootkant. Gijs nam mijn hand en trok me het ijs op. Hij ging voorop, hij kende de weg. De eerste sloot was breed genoeg om forse slagen te maken, al had ik zo weinig glijvermogen in mijn ijzers dat ik veel en korte slagen moest maken om vooruit te komen. De winterharde halmen langs de slootkant waren berijpt en een witte donsdeken met hier en daar een bruine vlek en een groen grassprietje bedekte de weilanden. Ik waande mij in een schilderij van Pieter Breughel. Mijn wangen kleurden sterappelrood en de frisse lucht sneed aangenaam door mijn keel. Op de slootjes die te smal waren voor twee, schaatste ik achter Gijs aan. Waar gingen we helemaal heen? Ik had geen idee waar ik was. De vele korte slagen die ik moest maken met mijn dunne puberbenen begonnen hun tol te eisen. Ik raakte steeds verder achterop. Bij een groepje knotwilgen stopte Gijs en hij keek om waar ik bleef. `Zullen we even stoppen?' vroeg hij. Hij ging op de slootkant zitten. Dankbaar knikte ik ja.

Ik zat nog niet of hij begon me met zijn, koude vochtige mond te kussen. Binnen no time zat mijn halve gezicht onder zijn speeksel. De geur van zijn ademwolkjes kon ik niet thuisbrengen, maar echt aangenaam vond ik hem niet. Bij de eerste de beste adempauze wendde ik mijn gezicht af. Gijs liet zich echter niet afpoeieren. Met zijn intussen onthandschoende handen greep hij onder mijn jas naar de sluiting van mijn zwarte wollen broek. Die wist hij met een hand te ontsluiten. En ook de maillot die ik eronder aan had, trok hij pardoes over mijn smalle billen naar beneden. Ik voelde hoe de sneeuw mijn billen afkoelde en vervolgens verschroeide. Sneeuwbillen, dacht ik. Geen sneeuwballen maar sneeuwbillen. Voor ik het doorhad duwde Gijs me met mijn rug in de slootkant en kroop hij bovenop me. Met zijn schaatsen diagonaal zette hij zich schrap op het ijs van de sloot. Wat maakte hij rare geluiden, alsof hij pijn had, of heel hard zat te drukken tijdens het poepen. Tegen de binnenkant van mijn linkerdij drukte een warm stomp voorwerp, waar kwam dat nou vandaan? En wat was het? Gijs duwde zijn onderlichaam met ritmische bewegingen tegen mijn ontblote dijen. Dertien was ik en ik had de boekjes `Jonges vragen' en `Meisjes vragen', die wij van mijn ouders hadden gekregen bij wijze van seksuele voorlichting, nog niet gelezen. Toch drong het tot me door dat hier iets gebeurde waarvan ik de gevolgen niet kon overzien. 

Ik wrong me onder Gijs vandaan, hees mijn maillot op en ritste mijn soulbroek dicht. Met knikkende knieën begon ik in de richting te schaatsen waar we vandaan waren gekomen. In de verte zag ik een boerderij die ik meende te herkennen als de paardenstal. Zonder omkijken schaatste ik zo snel ik kon, maar op een gegeven moment haalde Gijs me toch in. Zwijgend ging hij voor me rijden en ik volgde hem tot aan onze fietsen. Op de terugweg begon hij over koetjes en kalfjes alsof hij niet zojuist had geprobeerd mijn maagdenvlies te beschadigen. Ik praatte maar terug, wat kon ik anders. Had ik hem zijn gang moeten laten gaan? Wat was er dan eigenlijk gebeurd? Had ik hem moeten slaan? Ik wist het niet. Een week later maakte ik het uit. Niet zozeer vanwege de sneeuwbillenaffaire. Hij was op zaterdagavond binnengekomen in een pak. Een pak! En een lelijk pak ook nog. Een ouwelijk pak dat niet paste en niet stond. Nee, dát kon toch echt niet.

woensdag 27 december 2017

Kerst op straat




Schilderij van Maartje Soncu, student Klassieke Academie.
Loop je van het station rechtdoor naar het A-kwartier, dan kun je niet om haar heen. De Riepeverkoopster met het strakke knotje op haar hoofd staat elke dag op de hoek van de Folkingestraat en het Zuiderdiep. `Iedereen kent mij wel,’ vermoedt Karina. `Ik sta er steeds minder uren, maar nog elke dag. Of het nou kerst is of niet.’
Als je haar De Riepe ziet aanbieden vraag je je onwillekeurig af hoe het zo ver heeft kunnen komen. Karina houdt van mensen, dat zie je meteen. Ze maakt gemakkelijk contact en geeft oprechte aandacht. Haar leven ging niet bepaald over rozen en ze heeft veel nare dingen meegemaakt. Toch vindt de geboren Groningse zichzelf gelukkig. Dat zit hem in de contacten op straat, mooie dingen, bladeren op de grond. `Alles kan me gelukkig maken. Ik sta positief in het leven, ik ben chaotisch maar kleurrijk.’ Ze wijst op haar met slingers versierde fiets. `Ik heb ADHD, ik kan het leven niet spelen, ik ben te impulsief. Boem, klaar, that’s it. Ik heb andere mensen nodig. Bij vreemden kun je je veiliger voelen omdat ze je niet kennen, dan ben je minder kwetsbaar. Ik vind het ook fijn dat ik mensen om me heen heb die ietsje meer zijn dan vreemden. Dat zijn er maar weinig en dat wil ik graag zo houden, wel zo overzichtelijk.’ 

Kerst op straat
Wat betekent kerst voor Karina? `Het is leuk om samen te zijn, alleen ben ik dat niet met familie, maar met iedereen. Mensen die met kerst buiten lopen zijn bijna allemaal eenzaam. Ik denk dat ik voor hen deze dag mooi kan maken zodat ze iets hebben om op terug te kijken. Met dat soort dagen moet je zoveel mogelijk mooie herinneringen maken om moeilijke dagen door te komen.‘ Haar eigen mooiste herinnering aan kerst is dat ze naar het schoolplein loopt met haar kinderen terwijl het begint te sneeuwen. Ze raakt er zichtbaar door geëmotioneerd. Tegenwoordig gaat ze met kerst in gesprek met mensen en misschien gaat ze naar de kerk. `Zonder geloof zou ik niet met mijn kinderen kunnen communiceren. Ik zou ze niet kunnen steunen. En ik word er blijer van. Geloof zit in mijn hart en niet in de kerk. In elk geloof zit in grote lijnen hetzelfde. Of je dat nu allemaal samen in één kerk beleeft, al die mensen in die ene kerk geloven toch allemaal op hun eigen manier.’ 

Verwerking en vlaaien
Om De Riepe te kunnen verkopen moet ze hem zelf inkopen. De krant kost €1,80 en daarvan mag ze €0,80 zelf houden. `Toen ik terugkwam naar Groningen had ik geld nodig. Ik zat in een situatie waarin het verkopen een uitlaatklep voor me werd. Ik heb zo veel slechte en moeilijke dingen meegemaakt, De Riepe is een verwerking daarvan. Je moet jezelf zijn als je in gesprek gaat met mensen. Je kunt geen mooi weer spelen, mensen voelen dat. Ze zien dan hoe ik ben, meestal vrolijk. Ik vind het heerlijk om mensen aan het lachen te maken, of huilende kinderen stil te krijgen. Door mijn ADHD doe ik dat impulsief en ik ben erg zorgzaam. Mijn lichamelijke beperkingen maken dat ik steeds minder kan doen wat ik wil. Ik raak hierdoor steeds meer stukjes van mezelf kwijt. Dat vind ik zwaar. Van bepaalde medicijnen krijg ik honger en eet ik in één nacht een hele vlaai op. Bij Multivlaai haalt mijn partner elke zaterdag aan het eind van de dag de vlaaien op die over zijn. We verdelen die op straat. Als er in het Oosterpark een kind jarig is, en er is geen geld voor taart, dan brengen we daar een vlaai naartoe. Desnoods haal ik zelf kaarsjes. Dat is voor mij een kleine moeite, maar voor de ontvanger heel waardevol. Ik vind die interactie tussen mensen belangrijk, maar tegenwoordig zit iedereen in zichzelf.’

Maatschappelijk werker van de straat
Karina is blij dat ze een vrouw is. `Vroeger wilde ik graag een jongen zijn, ik vond dat vrouw zijn maar niks. Die ongesteldheid vind ik nog steeds niks. Maar mijn kinderen had ik nooit willen missen. Hoe ik  op straat mensen tegemoet treed, als ik een man was geweest had ik al lang klappen gehad. Zie ik aan jou dat je het moeilijk hebt, dan leg ik mijn hand op jouw arm of ik laat je zien dat ik meega in je verdriet of pijn. Ik ben maatschappelijk werker van de straat. Mensen hebben steun aan mij.’ Als Karina moslima’s ziet met een hoofddoek, dan begroet ze deze met “salam aleikum”. `Vooral oudere dames waarderen dat. Zelfs mannen vinden het leuk dat je hun vrouw benadert. Mensen moeten van elkaar houden. Iedereen heeft goede en slechte kanten. We hoeven geen verbeelding te hebben. Mensen doen zich altijd beter voor dan ze zijn, doen we allemaal, is nergens voor nodig. We zijn allemaal even goed en even slecht. We zijn allemaal mooi. Dat leer je als je ouder wordt.’

Toekomst
`Ik onthoud veel, dat is niet leuk, mijn hoofd zit altijd vol. Maar het is ook handig; je vraagt niet drie keer per uur dezelfde mensen om een Riepe te kopen.’ De leukste reactie die Karina kreeg was van een jongetje dat aan haar vroeg of ze dakloos was. Toen ze ja antwoordde trok hij de korstjes van zijn brood af en gaf die aan haar. `Natuurlijk wou hij die korstjes niet, dat snap ik ook wel, maar het idee! Ik geef kinderen altijd een high five. Zij zijn mijn toekomstige klanten. Als het aan mij ligt sta ik hier over 20 jaar nog steeds...’    

donderdag 21 december 2017

Losers



Vandaag precies 16 jaar geleden spuugde mijn vader het leven uit. Toen mijn moeder en broer een uur later aankwamen in het ziekenhuis waar hij lag, zat het opgedroogde bloed nog om zijn lippen. Zijn haar stond recht overeind van de schokken die hem waren toegediend in een poging hem te reanimeren. Mijn broer belde mij om 4 uur ’s nachts. Ik was niet verrast. 

Ik kan niet zeggen dat ik zo vaak aan mijn vader denk of dat ik hem nog altijd even erg mis. Wel zie ik hem regelmatig voor me, zoals hij was de laatste jaren van zijn leven. Sterk vermagerd en depressief, alleen wisten wij dat laatste toen niet. Wij noemden dat chagrijnig. Van straatschoffie via manusje van alles bij uitgeverij Tijl in Zwolle, en later vertegenwoordiger bij de Arbeiderspers, had mijn vader zich uiteindelijk omhoog gebluft naar hoofd personeelszaken en pr bij Teleac. Een baan die bij zijn pensioen te vroeg stopte naar zijn zin. Hij genoot er van de vernieuwing in televisieland, van de waardering van de collega's en had het gevoel dat hij eindelijk iets voorstelde.

Verschillende van zijn ambities had hij echter niet kunnen waarmaken in zijn leven. Zo had hij graag een eigen uitgeverij gehad, maar was er geen bank die dat wilde financieren. Zijn politieke aspiraties brachten hem niet verder dan voorzitter van de Partij van de Arbeid afdeling Zwolle. De functie van onderdirecteur bij Teleac, die hij ambieerde werd hem door de neus geboord toen hij een paar maanden ziek thuis zat omdat zijn stembanden dienst weigerden. Zijn pensioen ging hij gefrustreerd, maar nog enigszins strijdbaar in. Hij zou gaan schrijven. 

Ook de ambities die hij voor zijn kinderen had, pakten anders uit dan hij voor ogen had gehad. De een na de ander haakte af van school of studie en zocht zijn heil in betaald werk.
Een sociaal leven had pa niet, want aan iedereen mankeerde wel iets. De paar vrienden die hij in zijn leven had gehad, waren al dood. De frustraties kregen de overhand en hij verdronk ze in bier en spa groen met jonge jenever, wat uiteindelijk tot zijn dood leidde. Van schrijven is het nooit gekomen. 
De schoolkinderen die hem in zijn hoofd uitmaakten voor `Schooier’ wilden maar niet plaatsmaken voor een gevoel van voldoening over wat hij had bereikt. Wat hij niét had bereikt, dat vrat aan hem, hij voelde zich een loser. Dat was aan zijn opgebaarde gezicht af te lezen in de krochten van de Frankensteinkelder van Yarden. 74 is hij geworden. Wat moet hij eenzaam zijn geweest.

De appel valt niet ver van de boom. Ook ik voel me soms een loser. Bijna al mijn vrienden hebben een eigen huis, een goede baan, kinderen en een stabiele relatie. Ik woon in een arme-luizen-hofje, ben kinderloos, werk op mijn oude dag nog via uitzendbureaus en heb voor het eerst in 12 jaar een relatie die riekt naar stabiliteit, ware het niet dat ik zelf de grootste labiele factor ben. Mijn schrijversambitie beperkt zich tot een maandelijkse verplichting voor Club Proza en wat freelance opdrachten.

Ik weet hoe mijn vader zich voelde en ik probeer lering te trekken uit zijn levenseinde. Ik wil niet sterven zoals hij. Gefrustreerd, eenzaam en onvervuld. Ik tel mijn zegeningen en heb daar meer dan één hand voor nodig. Vergelijken met anderen frustreert alleen maar, weg ermee! Mijn relatie geef ik nog een kans. En ik ga wél schrijven. Van jonge jenever houd ik gelukkig niet en bier drink ik tegenwoordig, verstandig als ik ook kan zijn, met mate.

zondag 24 september 2017

Hongerige Wolf



`Zulke grote borsten heb jij helemaal niet,’ merkt mijn altijd even complimenteuze moeder op. We staan gebogen over een oud zelfportret van mij waarvan ik het bestaan totaal vergeten was. Het dook ineens op in mijn moeders logeerkamer. `Het zijn anders wel lekkere tietjes,’ fluistert Gypso, doelend op het niet onaardige kunstwerkje. We zijn net terug van Hongerige Wolf, een kneuterig festivalletje in Noord-Oost Groningen. Ondanks de stromende regen hadden we verwachtingsvol ons kampement opgezet. Zou het net zo mooi worden als vorig jaar? Toen was het ons eerste festival als pril verliefden. Een zweem van romantiek had zich in ons geheugen genesteld. We hoefden er dan ook niet lang over na te denken. Wij waren weer van de partij, ijs en weder dienende.

Dat het tegenviel wil ik nou ook weer niet beweren. Al was alles wel een beetje minder. Er waren minder acts, minder publiek, de porties falafel waren kleiner en ook het hoofdpodium had flink aan formaat ingeboet. Of was mijn roze bril soms gebarsten? Waar het festival wel in voorzag waren lekkere wijven. Hordes prachtige, sexy, verleidelijke, zelfbewuste wijven. Had Gypso een jaar geleden enkel oog voor mij, nu zag ik zijn blik geregeld afdwalen en blijven steken op een paar gladde gebronsde benen onder een veel te kort afgeknipt spijkerbroekje, dat nauwelijks iets aan de verbeelding overliet. Wat een aanstelster, zo warm was het echt niet. Bij de act van die Friese merrie kon hij vervolgens zijn ogen niet van diens galopperende voorgevel afhouden. En na een rit met een hooikar stond hij als eerste klaar met open armen om de uitstappende vrouwen op te vangen, uitnodigend `Kom maar dames’ roepend.

Hoe meer vrouwen hij aansprak of bewonderde, hoe ouder ik me voelde. Of dit nog niet erg genoeg was viel het me op dat geen enkele man zich omdraaide wanneer ík voorbij liep. Nu had ík mij wél goed gewapend tegen het Noord-Oost Groningse ijs en weder, en liet ik meer dan genoeg aan de verbeelding over. Toch voelde geen enkele man zich geroepen in gedachten mijn beschermlagen af te pellen. Mijn leven als lustobject is voorbij, schoot het door me heen. Geschokt realiseerde ik me dat de concurrentie alleen maar toeneemt naarmate je ouder wordt. Ben je als vrouw in de 20 dan heeft je concurrentie een marge van tussen de 15 en de 35 jaar. Maar ben je in de 60, dan is die marge schier eindeloos, dan ligt ie tussen de 18 en de 70. En is je partner lichtelijk pervers dan zelfs tussen de 16 en de 80 jaar.

Langzaam maar zeker drong het tot me door dat ik het niet langer van mijn looks hoef te hebben. Hoe goed geconserveerd ik op het eerste gezicht ook overkom, de tand des tijds heeft flink aan mij geknabbeld. Koortsachtig zocht ik naar mijn USP, mijn Unique Selling Point waarmee ik mijn man moet boeien en binden. Eureka! Seks natuurlijk! Helaas heeft die vermaledijde tand des tijds zich niet beperkt tot mijn uiterlijk. Met mijn stramme scharnieren en uitgebluste spieren is de Kama Sutra voor mij en dus ook voor mijn geliefde slechts een bitterzoete herinnering. En hoewel ik nog het libido heb van een pukkelige puber, faciliteert mijn hormoonhuishouding dit niet optimaal meer.

Mijn 93-jarige moeder klaagt wel eens dat ze voor niemand meer mooi hoeft te zijn. Toch trekt ze elke dag iets anders aan, en draagt ze bijpassende sieraden. Ook al zit ze de hele dag alleen thuis. Misschien wil ze er goed uit zien voor als ze dood wordt aangetroffen in huis, haar grootste angst, alleen te sterven. Of hóeft ze voor niemand meer mooi te zijn, maar nog wel voor zichzelf. Daar kan ik dan nog een hoop van leren. Om te beginnen ga ik nooit meer naar Hongerige Wolf.