woensdag 1 september 2021

Lamp te koop


Zo’n dag waarop het niet licht wordt. Verweesde kerstbomen op straathoeken. Te warm gemiezer voor de tijd van het jaar. Vannacht beter geslapen, toch duffer dan gisteren aan het werk gegaan. In de pauze een donderwolk binnen ontvlucht. Buiten loop ik de nieuwe directeur tegen het lijf. `Alweer klaar?’ Meer weet ik niet te bedenken. Zo aardig als ze is, ze intimideert me. Zij herinnert me aan mijn neergaande carrièrecurve. Niets is er op werkgebied van mij terechtgekomen. Talenten genegeerd. Vaardigheden onbenut. Een uitzendslaaf. 16 maanden moet ik nog werken tot mijn pensioen. Ik tel de dagen.

Een foto van het kerkje van Oostum in mijn mailbox. Een bruiloft, 1995, van Theo en Marloes, collega’s en devote hippies. Collega kok Christopher (later geliefde/echtgenoot/ex) aan mijn zij. Een dominee in tweedehands pak voor een white board, een whíte board in dat middeleeuwse kerkje. Alsof hij voor een kleuterklas staat, of een groep consultants. Hij tekent een 8 op dat bord, symbool van allerlei religieuzigheid en van eeuwige trouw, die in dit geval tien jaar zal duren. Dominee zalft op onze zenuwen. Onderdrukt gegrinnik. Hardop vloeken wil ik, in die kerk. Na de dienst champagne. Snel achterover slaan, twee, drie glazen. In de rode Simca scheuren over de provinciale weg, terug naar het werk in Stad.

Vandaag heb ik geen banaan mee naar het werk, die waren op. Wel een plafondlamp. Een witte matglazen jaren 60 lamp aan een chromen hangstang met horizontale streepjes in zwart en rood. De lamp heeft twintig jaar lang niet de prominente plek in huis gehad die hij verdient. Zijn laatste hangplek was de te lage slaapkamer, waar hij regelmatig vervaarlijk heen en weer zwaaide wanneer hij een zwieper kreeg van een mouw of een pijp.

Nu hij zo werkloos op mijn bureau staat, wil ik hem ineens niet kwijt. Waar ik hem heb gekocht, ben ik vergeten. Waarom ik hem kocht weet ik nog wel. Ik vond hem mooi. Ik vind hem mooi. Toch wil ik hem verkopen, daarom staat hij op Marktplaats. Als vertegenwoordiger van een tijdloze ontwerpstroming, die destijds al nostalgisch aandeed, maar nog altijd in de smaak valt bij creatieven en nieuwe rijken. Ik reken mij tot de eerste categorie. Nieuw en rijk ben ik nooit geweest.

Een onbekende, potentiële koper wil mijn hanglamp komen bekijken. Als ik het bezichtigingsadres app, barst hij digitaal in lachen uit. Emoji’s van betraande gezichtjes. Blijkt voor dezelfde organisatie te werken. How are the odds? Ik ga er spontaan Engels van schrijven. De twijfel slaat toe. Wil ik hem wel kwijt, de lamp? Die mooie nostalgische lamp waarvan ik niet meer weet waar ik hem kocht, maar wel waarom. Maar wat moet ik er mee? Ik heb er geen plek voor en vriendlief heeft andere ideeën over mooi. Ik deel mijn twijfel met de koper. Die vindt het al heel bijzonder dat wij collega’s blijken. 'Slaap er nog maar een nachtje over.'

Lamp verkocht.

maandag 15 maart 2021

Jarig

 


Ik zit hier heel alleen jarig te wezen… Nou ja alleen… Sam en Puck, ouwe trouwe chihuahua’s, houden mij gezelschap op deze tweede verjaardag tijdens een lockdown. Uitgerekend in de week voor het grote feest voor mijn 65ste verjaardag vorig jaar, viel in ons land de eerste coronadode en kondigde Rutte de allereerste Persconferentie aan. Handen schudden was toen al verboden. Na die coronadode zegden mijn feestgangers een voor een af. Misschien toch verstandiger… Uiteindelijk besloot ik het hele feest maar af te blazen. Flink balend, dat wel. Het had mij een hoop wikken en wegen gekost om überhaupt tot een feest te besluiten. Die verdomde Vissen ook, die elk hun eigen kant op zwemmen! Op de dag zelf leek het me beter om toch naar het afgezegde Beloofde land te gaan voor het geval ik niet iedereen had bereikt. Een handjevol dappere vrienden sloot zich aan en voor ik het wist hingen we in dat kleine café  dansend om elkaars nek, blèrden we mee met de muziek en ontstond er bijna een heus bargevecht om een pizza. Een hydroscept wilde zich ervan verzekeren dat er geen vis op de pizza zat en stak zijn neus er in, waarop een aangeschoten creatief dat niet normaal vond en smerig en asociaal. Ik sprak ze vermanend toe. Een beter feest had ik me niet kunnen wensen. En niemand kreeg corona.  

Vandaag word ik zomaar 66! Vooralsnog medicijnvrij, wie doet me dat na? Op zich al een reden tot feest. Helemaal ongeschonden ben ik er natuurlijk niet uitgekomen, uit die eerste 66 jaar, waarvan ik mij er zeker 25 tot de beroepsmatige alcoholisten onder ons mocht rekenen vanwege een horecabestaan voor en achter de bar. En met een lichaam dat de laatste 30 jaar al dagelijks zo veel pijn doet dat ik wel eens denk, hoe lang nog? Niet dat ik definitief dood wil, hell no! Maar wat zou ik af en toe graag in een ander lijf willen wonen. Met hetzelfde uiterlijk overigens, daarover hoor je mij niet klagen. Zelfs niet over die hangende dijenvellen, betepelde zakjes en buik vol craquelé waar het melkmeisje van Vermeer een puntje aan kan zuigen. Dat is progressie. En ik heb al een man…

Een paar weken geleden las ik dat er voor fybromyalgie eindelijk een medische oorzaak is gevonden. Iets in de hersenen. Niet langer zo’n vage aandoening – het zal wel stress zijn - voor gevoelige typjes, vrouwentypjes vooral. 30 jaar lang voelde ik mij zo’n typje. Het moest wel psychisch zijn, want een lichamelijke oorzaak voor de pijn werd nooit gevonden. Eureka! Eindelijk erkenning! (De pijn is er niet minder om.)

Toch ook dit jaar geen feest in traditionele zin. Geen dans- en schranspartij, geen cock- en mocktails. Maar wel met een Lang zal ze leven om 6 uur 's ochtends. Zo’n 50 berichtjes via allerlei digitale kanalen. Een turquoise legging van mijn favoriete winkel, het Winkelhuis in Leens. Het rimpelperspectief van Hans Dorrestein met als ondertitel Hoe overleef ik de oude dag? Filmpjes van vrienden wiens gezichten op Wombo AI liedjes zingen, waarvan Vriend zich afvraagt wat volwassenen ertoe beweegt om zich op die manier te profileren. En met mislukte, maar overheerlijke rabarbercheesecake.

donderdag 14 januari 2021

Ochtendrood

 


Wanneer ik het gordijn omhoog rol, ben ik getuige van een felrode ochtendstond. Wauw! En dat na die enorme volle novembermaan gisteravond, het kan niet op! Dit soort cadeautjes beleef je op het platteland toch echt intenser dan in het stadscentrum. Om de hondjes hun eerste plasje van de dag te laten doen, neem ik ze mee de tuin in. Hoe zat het ook alweer, vraag ik me af: avondrood water in de sloot, of juist ochtendrood. De gedachte is nog niet gerijpt of dikke regendruppels brengen uitkomst. 
Hond Sam test met één pootje het berijpte gras en durft het aan de rijp plaatselijk geel te kleuren. Hond Puck poept intussen in de tuin van de buren. Ruim ik straks wel op. Als ik eraan denk. Beide hondjes draaien om en rennen enthousiast terug naar huis. Eten! Warm! Droog!

Op mijn mobiel wacht een chatbericht van grote halve broer Malgras op reactie. Hoe het leven staat in de Pool van de Draslanden, wil hij weten. Sinds hij in Genève woont noemt hij zijn geboorteland geringschattend de Draslanden. Hij kan het niet helpen. Zijn opa, die boekhouder was op een onbeduidend kantoor, liet de familienaam veradelijken door 'de Montigny’ erachter te plakken.  

Terwijl ik een snedig antwoord probeer te bedenken, belt mijn moeder mij per ongeluk via de videochat. Stomverbaasd neem ik op. Moeder is al net zo verbaasd en wil meteen weer ophangen. Ze had een gemiste oproep op haar Ipad gezien en zomaar ergens op gedrukt. `Wil je niet met me praten dan?’ vraag ik quasi teleurgesteld. `Jawel, maar ik snap niet hoe dit werkt.’ Toch krijgt ze het voor elkaar om de camera aan te zetten en kan ik haar mijn laatste creaties laten zien. Sinterklaassurprises. `Ik doe niet aan Sinterklaas hoor,’ zegt ze. ‘Dus je hoeft niets te kopen. Kom ook maar niet langs, want ik weet niet wat ik onder de leden heb. Straks steek ik je nog aan.’ Ze is zo moe. Zo verschrikkelijk moe. En al zo lang. `Je hebt de dood onder de leden,’ antwoord ik en schrik van de hardheid van mijn eigen woorden. Hoe waar ze ook zijn. `Nou, hij hoeft nu nog even niet te komen hoor.’ Vorige week nog moest ik maar niet zo oud worden als zij. Ze beleefde niks meer, zat alleen maar in haar stoel. Te zitten. Te wachten. Op bezoek dat niet kwam. En nu hoeft ze nog niet dood. Het kan blijkbaar nog altijd verkeren. `Als hij maar niet besmettelijk is,’ probeer ik het luchtig te houden. Maar dat is de dood niet volgens haar en zij kan het weten. Iedereen om haar heen is heengegaan zonder haar aan te steken. En het is een wonder dat ze op haar leeftijd al haar kinderen nog heeft… Knock on wood.

Aan grote halve broer meld ik dat het ochtendrood zo mooi was en de maan zo vol. Daar heeft hij vast niet van terug, met zijn Geneefse Alpjes voor de deur.

vrijdag 25 december 2020

Wandelen met ezels

 

Hoeveel slaappillen heb je er eigenlijk voor nodig, vraagt Maria zich af. Geschrokken houdt ze haar adem in. Het is een even rustgevende als verontrustende gedachte. Moet ze nu een hulplijn bellen voor mensen met suïcidale gedachten? Waar googelt ze dan op? Hulp bij zelfdoding? Ze wil geen hulp, ze wil af van die destructieve gedachte, voordat hij de kans krijgt wortel te schieten. Het is niet de eerste keer dat Maria zo’n gedachte heeft. Ze herinnert zich een stormachtige dag in november, jaren geleden. Om welk dieptepunt het toen ging, weet ze niet eens meer. Ten einde raad was ze op de fiets gestapt en beukte ze tegen de storm de provincie in. Doelloos. Tranen vermengden zich met striemende regen. Het landweggetje waarop ze haar helletocht aflegde, liep parallel aan de snelweg. Bij een viaduct aangekomen stopte ze. Hoe zou het voelen om hier af te springen en onder een voorbij snellende auto op slag van alle levenspijn verlost te worden, schoot het door haar heen. Ondanks haar licht autistische inslag, is ze niet helemaal gespeend van empathie. Ze kon het de nietsvermoedende automobilist niet aandoen haar verlosser te zijn. Gelouterd door deze ervaring keerde ze terug naar huis. Met de wind in de rug.

De laatste destructieve gedachte komt op vlak voor de kerst, wanneer weer eens pijnlijk duidelijk wordt dat ze op geen enkel prioriteitenlijstje hoog scoort. Niemand heeft haar uitgenodigd voor een diner, een brunch of zelfs maar een spelletjesavond. En dat terwijl de coronamaatregelen juist voor de kerst versoepeld zijn. Wat heeft het leven dan voor zin? Eigenlijk is er maar een ding dat haar kan verlossen. Een partner! Dus in plaats van de hulplijn te bellen, schrijft ze zich tegen beter weten in maar weer eens in op een datingsite. Digitaal daten is tenslotte coronaproef.

Omdat ze niet het type is dat zich bevallig op een berenvel voor de open haard neervlijt met een glas rondborstige rode in de ene, en een goed boek in de andere hand, en stofzuigen tegenwoordig haar sportiefste prestatie is, besluit ze er niet omheen te draaien en de naakte waarheid over zichzelf te vertellen. Dat scheelt een hoop draaikonterij bij een eventuele kennismaking.

Maria’s profiel:

`Hoge pieken, diepe dalen. Dat is mijn leven. Verwacht dus geen rustig vaarwater met mij. Labiel, en een laag zelfbeeld. Grenzen die makkelijk overschreden worden. Jaloers, verlatingsangstig, grillig en licht autistisch (wie niet?). Maar ook veerkrachtig genoeg om uit elk diep dal te klauteren. Creatief, hartstochtelijk, zorgzaam en vol zelfspot. En ik kan van je houden zoals niemand anders kan. By the way, ik sta hier niet om gered te worden, maar om mijn leven te verrijken met mensen die ik in het dagelijks leven niet zou tegenkomen.’

Dat laatste is natuurlijk een leugentje om bestwil. Ze wil niets liever dan gered worden, vandaar deze hele exercitie. Haar mooiste foto zet ze erbij. De foto waarvan haar moeder beweert dat het Maria niet kan zijn, omdat die vrouw op de foto veel knapper is. Weldra druppelen de reacties binnen, van mannen die niet bepaald op háár prioriteitenlijstje voorkomen. Zo niét haar types. Bovendien herkennen ze zich in haar profiel, dat moeten we niet hebben, twee van die getormenteerde zielen bij elkaar. Wie moet wie dan redden? Eén reactie springt eruit. Van ene Gerrit.

`Je ziet er redelijk goed uit, maar de ellende is van je gezicht af te lezen. Je zoekt geen redder? Geloof je het zelf? Je zoekt wel degelijk een redder, voor 1 of 2 jaar. Daarna kan hij weer zijn verdriet gaan verzuipen. Gelukkig ben ik ouder en wijzer, al heb ik zielsveel van instabiele vrouwen gehouden. 

JE BENT EEN GEVAAR VOOR GOEDWILLENDE EN EENZAME MANNEN.

Wees je daar alsjeblieft bewust van. En heb mededogen met hen. Sterkte op je zoektocht naar een man die jonger, maar vooral wijzer is dan ik.’

Maria bedankt Gerrit voor zijn eerlijke reactie en zegt dat deze waarschijnlijk meer met hem dan met haar te maken heeft. Daar heeft hij geen (kerst)boodschap aan. Toch begint er iets te knagen. Wat als hij gelijk heeft? Haar track record aan gebroken harten liegt er niet om. Misschien kan ze haar heil toch beter niet bij een partner zoeken.

De laptop piept. Er is nog een reactie binnengekomen. Een man zonder naam, maar mét mondkapje, kijkt haar vanaf zijn profielfoto indringend aan. Op het mondkapje staan twee enorme zwarte vochtige neusgaten afgebeeld. Er onderuit piept een heuse hipsterbaard. Ze scant het profiel.

Beroep: ambachtelijk werkende timmerman.

Hobby’s: kerststallen bouwen en wandelen met ezels.

Hoewel Maria niet zo gecharmeerd is van die baard, dat haar mag ook wel wat korter, wordt ze toch een beetje warm van binnen. Of het die vreemde hobby is, of die indringende blik, ze weet het niet. Voor haar doen zeer spontaan, nodigt ze hem meteen uit voor een ontmoeting. Als ze de kerst niet alleen wil doorbrengen, moet ze nu actie ondernemen. De man die zijn naam (`nog even’) verborgen  wil houden, reageert enthousiast en stelt voor elkaar diezelfde dag nog te ontmoeten. De cafés zijn net weer open, maar hij wil buiten afspreken, hij geeft de voorkeur aan een wandeldate. Onder de buste van Aletta Jacobs in de Oude Kijk in ’t Jatstraat? Of op het terras van het Pomphuis? Maria kiest voor het laatste.

Iets over tweeën, ze heeft moeite met op tijd komen, nadert ze de afgesproken plek. Daar staat de man zonder naam en nu ook zonder mondkapje. Naast hem staat een kleine grijze ezel met een zwarte streep op zijn rug. Ze herkent de neusgaten van het mondkapje. `Dag Maria,’ zegt de, in het echt verrassend knappe man. `Ik ben Jozef.' En hij steekt zijn hand naar haar uit, het mag weer. 'Bethlehem dan maar?’

maandag 7 december 2020

Niet van hier

 

Voor mij uit fietst een vrouw met een korte grijzende coupe van het type, ’s ochtends geen werk van. Bij de aanblik van een wachtrij op de stoep van een bekende Zwolse banketbakkerij, roept ze joviaal: 'Gelukkig is het mooi weer!’ Een wachtende man kijkt verbaasd op van zijn mobiel.

Ik kom bij mijn moeder vandaan. Waarschijnlijk ben ik de enige die haar in coronatijd nog aanraakt en kust. `Nou én, als ik ziek word en doodga,’ zegt ze stoer. Hoewel ik stiekem denk dat ze het ook wel een beetje meent. Steeds vaker begroet ze me met de woorden `je moet niet zo oud worden als ik hoor…’ 96 is ze. Het staat met grote oranje letters op het raam geplakt. Mijn moeder maakt zich zorgen of ik wel genoeg oranje papier over heb om op 2 april 2021 de zes door een zeven te vervangen.

De vrouw rijdt voor me uit in de richting van het station. De mantelzorg voor mijn moeder zit er voor deze week weer op. Ik ga naar huis. Met de trein. De laatste keer dat ik met de auto naar Zwolle ging, kreeg ik al rijdend een paniekaanval. Met frisse tegenzin was ik al aan de rit begonnen; slechte nachtrust en stromende regen. Dan weet je het wel… Toen ik in Heerenveen de afslag Zwolle miste en door moest rijden naar Joure, kroop er een tinteling in mijn lijf die bezit nam van mijn gezond verstand. Mijn hart bonsde onregelmatig in mijn keel en o mijn god wat moest ik ineens nodig poepen. Die twee hoorden sinds kort bij elkaar, poepen en paniek. Nog nooit was ik zo blij een gele M in de grijze lucht te zien. De redding was nabij.

Het bloed gierde intussen door mijn aderen toen ik de Mac Donalds binnen wankelde. Panisch keek ik om me heen. Het restaurant was alleen open voor afhaal, maar daar was blijkbaar niemand van op de hoogte. Er was geen kipnugget te bekennen. Van de medewerkster, die kon fluiten naar de titel medewerker van de maand, mocht ik alleen van het toilet gebruikmaken als ik iets bestelde. Het dreigde mij dun door de broek te lopen en het gevoel ter plekke ineen te zakken werd met de seconde sterker. Een flesje water, Snel!

Na de ontlading en met een plastic zakje om in te ademen, belde ik mijn moeder af, keerde ik om en reed trillend terug naar huis. Daarom ben ik nu met de trein.

Op het Ter Pelkwijkpark draait de vrouw met de makkelijke coupe zich naar me om. `Weet u de Van Lierstraat?’ De naam komt me niet bekend voor, ik moet haar teleurstellen. `Weet u dan misschien makelaar Van der Velde?’ Ook nu gaat er geen lampje branden. `Waarom niet?’ vraagt de vrouw ongegeneerd. Ik begin te vermoeden dat ze niet zonder meer joviaal is. `Ik ben niet van hier,’ lieg ik om er vanaf te zijn. Ik ben wel van hier. Maar toch ook niet. Al ruim 47 jaar niet. `Waar ben je dan wel van?’ Wil ze ook nog weten! `Van Groningen,’ roep ik. Als dat haar niet met stomheid slaat… Maar mevrouw heeft nog een wijsheid in pacht. `Je bent niet van Groningen, je bent van jezelf!’ zegt ze vergenoegd grijnzend. Daar valt weinig tegenin te brengen, behalve dat ik vooralsnog ook nog altijd een beetje van mijn moeder ben.

maandag 6 augustus 2018

Vijvermijmer


Op de rand van de vijver dribbelt een kwikstaart besluiteloos langs de rubberen rand. Het staartje wipt driftig op en neer terwijl het koppie alle windstreken verkent. Zal ik of zal ik niet, lijkt de kleine grijswitte vogel te overwegen. Zijn snavel staat opengesperd alsof hij zit te hijgen. Het is weliswaar warm, maar zeker langs de vijver waait er een aangenaam verkoelende wind. Hijgen vogels überhaupt? Op een dikke droge kluit staat de kwikstaart stil. Hij, of misschien wel zij, ik zou het verschil niet weten, begint zijn tooi te verzorgen. Eerst verdwijnt het koppie onder de linkervleugel, dan zijn de borstveren aan de beurt en vervolgens wordt de rechtervleugel grondig onder handen genomen. Met doeltreffende staccato bewegingen. Als de tooi naar tevredenheid is kijkt het vogeltje om zich heen. Wat zal ik nu eens gaan doen, wie zal ik nu eens gaan vervelen, lijkt het te denken. Maar vogels denken niet, dat doen wij voor ze. Wij dichten ze van alles toe, eigenschappen die we zelf ontberen of waarmee we juist zijn behept. Je kunt het zo gek niet bedenken of wij, almachtige Opperwezens schrijven het aan andere levende wezens toe.
Het kwikstaartje overweegt nog even of het een frisse duik in de vijver zal nemen, maar spreidt zijn vleugels en knijpt er tussenuit.

Verschanst achter een meidoorn met een zieltogende clematis erin sla ik het tafereeltje aan de waterkant gade. Mijn zicht wordt enigszins belemmerd door een gehavende zaailing van een esdoorn en een plukje wilde klaprozen die met hun ranke stengels houvast vinden tegen een jonge scheut van de meidoorn. Links van mij ligt mijn moestuin er mooi bij. En dan niet zoals een pas gestorvene er mooi bij kan liggen, de tuin is één groot teken van leven. De goudsbloemen blaken van oranje, de saffraangele afrikaantjes met hun donkerrode harten spreiden een en al vrolijkheid ten toon. Aardbeienstekjes richten zich dapper naar de zon. Ook aan aardbeienplanten kennen wij menselijke karaktertrekken toe. Koolwitjes dwarrelen van bloem tot bloem. In de oksels van de spruitkool piepen jonge spruitjes. De pompoen die vorige week nog een omtrek had van 10 cm, is vervijfvoudigd. Met stoer opgeblazen verenkleed snoepen de jonge merels van zure kruisbessen en zoete frambozen. Over het hek waartegen het kleinfruit staat, hangt achteloos mijn weinig verhullende badpak te drogen na een duik in de vijver. De snit van de zwemkledij benadrukt mijn sterke kanten, mijn brede schouderpartij en mijn kleine borsten die de tand des tijds manmoedig hebben doorstaan. Ook lichaamsdelen ontkomen niet aan overdrachtelijkheden. 

Hoe lang nog, denk ik, kan ik hier van genieten. Tot Gyp uiteindelijk door heeft dat wij toch wel erg verschillen. Tot de roze bril helder is geworden en hij ziet hoe mijn huid om mijn lijf wappert als een oversized bloes, en dat lekkere zachte buikje niet langer zacht maar week is. Dat die ooit zo begeerlijke dijen aan de binnenkant steeds dichter naar elkaar toe groeien. Het schaamhaar niet meer welig tiert maar wegkwijnt om een verlepte venusheuvel bloot te geven. Hoe lang nog tot een jeugdige versie van Cher hem in haar netten weet te strikken. Of hij bezwijkt aan een hartaanval, een auto-ongeluk of een beroerte! Of tot ik, op het enige kruispunt dat mijn zomerverblijf rijk is, wordt geschept door een aanstormende tractor, aan kanker of een bloedend hart overlijd! Hoe lang nog tot de dood, of de Cher-look-a-like, ons scheidt. Het angstzweet breekt me uit.

Plotseling word ik omringd door schichtig bewegende schaduwen op het braakliggende stuk grond tussen vijver en moestuin. Ik kijk omhoog, de zwaluwen zijn terug! Dat is waar ook, het is zomer. Wat zit ik nou toch te somberen. Ik sta op en loop naar de keuken om mezelf op een lekker koud glas water te trakteren, met munt, citroen en gember. Nu het nog kan...

vrijdag 16 februari 2018

Sneeuwbillen

Of ik mee ging schaatsen, vroeg vriendje Gijs. Het had al een paar weken gevroren en zelfs het Zwarte Water zat dicht. Toen hij me vroeg nam ik dan ook aan dat we net als de andere kinderen van clubhuis de Klooienberg het Zwarte Water achter de dijk zouden verkennen. Maar Gijs had andere plannen. Hij wilde exclusiviteit met mij. We gingen immers met elkaar en dan had je geen pottenkijkers nodig.
Mijn vader had het niet zo op Gijs. Mister Cellotape noemde hij hem schertsend, omdat Gijs op zaterdagavond op de bank voor de buis altijd zijn arm om mij heen sloeg. Geheel onschuldig, dacht ik. Die arm was een doorn in het oog van mijn vader. Het waren dit soort armen waartegen hij mij wilde beschermen. Dit soort armen waarom hij mij uit het clubhuis haalde en naar huis trapte. Waarvoor hij zich dan later weer verontschuldigde door zijn eigen armen iets te stevig om mij heen te slaan.

Toen Gijs me kwam halen zaten we nog aan het ontbijt met het hele gezin. Voordat mijn broers vervelende opmerkingen konden maken, schrokte ik mijn laatste stuk brood naar binnen en stond op om mijn schaatsen te pakken. Grote witte kunstschaatsen die zo bot waren dat ik er beter mee achteruit kon schaatsen dan vooruit, maar ze stonden zo elegant. Gijs was met de fiets en ik mocht achterop. Dat leek me geen goed idee, stilzitten in deze vrieskou. Dus pakte ik mijn eigen fiets uit het souterrain. Lichtelijk teleurgesteld fietste Gijs naast me. Ik keek naar hem. Zijn pukkelige wangen waren nog roder dan anders. Het vette slierterige haar was te lang om netjes te zijn en te kort om hip te zijn. Zijn lippen waren altijd vochtig, alsof hij leed aan overtollige speekselvorming. Een zwarte soulbroek met wijde pijpen en gespjes op de heupen en een strak, felgeel tricot truitje met lakplastic vetersluiting was zijn favoriete outfit. Volgens de laatste soulkikkermode. Dat vond ik aantrekkelijk aan hem, zijn verschijning. Van zijn intellect hoefde ik het niet te hebben. Hij was gestopt met de lts om in de groentezaak van zijn vader te gaan werken en had geen enkele andere ambitie of interesse. De boeken die ik verslond, de gedichten die ik schreef, ik hoefde er met hem niet over te beginnen. Hij zou me niet begrijpend aankijken. Ik probeerde het niet eens.

We fietsten in de richting van de stal waar ik de clubhuispaarden altijd verzorgde. Wat valt daar nou te schaatsen? schoot het door me heen. Maar bij de stal aangekomen trapte Gijs in hetzelfde tempo voort, totdat we bij een brede sloot aankwamen ergens midden in het land. Zo ver voorbij de stal was ik nog nooit geweest. `Zet je fiets daar maar neer,' zei Gijs en wees op het gammele houten hek van een aangrenzend weiland. Zelf zette hij zijn fiets tegen een licht overhellende boom. Gezeten op een kale stronk bond hij zijn Friese doorlopers onder. Ik bleef erbij staan terwijl ik onhandig mijn laarzen uit en mijn kunstschaatsen aan deed. Ons schoeisel verborgen we onder de bosjes langs de slootkant. Gijs nam mijn hand en trok me het ijs op. Hij ging voorop, hij kende de weg. De eerste sloot was breed genoeg om forse slagen te maken, al had ik zo weinig glijvermogen in mijn ijzers dat ik veel en korte slagen moest maken om vooruit te komen. De winterharde halmen langs de slootkant waren berijpt en een witte donsdeken met hier en daar een bruine vlek en een groen grassprietje bedekte de weilanden. Ik waande mij in een schilderij van Pieter Breughel. Mijn wangen kleurden sterappelrood en de frisse lucht sneed aangenaam door mijn keel. Op de slootjes die te smal waren voor twee, schaatste ik achter Gijs aan. Waar gingen we helemaal heen? Ik had geen idee waar ik was. De vele korte slagen die ik moest maken met mijn dunne puberbenen begonnen hun tol te eisen. Ik raakte steeds verder achterop. Bij een groepje knotwilgen stopte Gijs en hij keek om waar ik bleef. `Zullen we even stoppen?' vroeg hij. Hij ging op de slootkant zitten. Dankbaar knikte ik ja.

Ik zat nog niet of hij begon me met zijn, koude vochtige mond te kussen. Binnen no time zat mijn halve gezicht onder zijn speeksel. De geur van zijn ademwolkjes kon ik niet thuisbrengen, maar echt aangenaam vond ik hem niet. Bij de eerste de beste adempauze wendde ik mijn gezicht af. Gijs liet zich echter niet afpoeieren. Met zijn intussen onthandschoende handen greep hij onder mijn jas naar de sluiting van mijn zwarte wollen broek. Die wist hij met een hand te ontsluiten. En ook de maillot die ik eronder aan had, trok hij pardoes over mijn smalle billen naar beneden. Ik voelde hoe de sneeuw mijn billen afkoelde en vervolgens verschroeide. Sneeuwbillen, dacht ik. Geen sneeuwballen maar sneeuwbillen. Voor ik het doorhad duwde Gijs me met mijn rug in de slootkant en kroop hij bovenop me. Met zijn schaatsen diagonaal zette hij zich schrap op het ijs van de sloot. Wat maakte hij rare geluiden, alsof hij pijn had, of heel hard zat te drukken tijdens het poepen. Tegen de binnenkant van mijn linkerdij drukte een warm stomp voorwerp, waar kwam dat nou vandaan? En wat was het? Gijs duwde zijn onderlichaam met ritmische bewegingen tegen mijn ontblote dijen. Dertien was ik en ik had de boekjes `Jonges vragen' en `Meisjes vragen', die wij van mijn ouders hadden gekregen bij wijze van seksuele voorlichting, nog niet gelezen. Toch drong het tot me door dat hier iets gebeurde waarvan ik de gevolgen niet kon overzien. 

Ik wrong me onder Gijs vandaan, hees mijn maillot op en ritste mijn soulbroek dicht. Met knikkende knieën begon ik in de richting te schaatsen waar we vandaan waren gekomen. In de verte zag ik een boerderij die ik meende te herkennen als de paardenstal. Zonder omkijken schaatste ik zo snel ik kon, maar op een gegeven moment haalde Gijs me toch in. Zwijgend ging hij voor me rijden en ik volgde hem tot aan onze fietsen. Op de terugweg begon hij over koetjes en kalfjes alsof hij niet zojuist had geprobeerd mijn maagdenvlies te beschadigen. Ik praatte maar terug, wat kon ik anders. Had ik hem zijn gang moeten laten gaan? Wat was er dan eigenlijk gebeurd? Had ik hem moeten slaan? Ik wist het niet. Een week later maakte ik het uit. Niet zozeer vanwege de sneeuwbillenaffaire. Hij was op zaterdagavond binnengekomen in een pak. Een pak! En een lelijk pak ook nog. Een ouwelijk pak dat niet paste en niet stond. Nee, dát kon toch echt niet.