De vrouw
streeft de man in menig opzicht voorbij. Alleen fysiek blijft ze op een
kwetsbaar niveau achter. Een behoorlijke weeffout in de evolutie of de
schepping, waar je voorkeur ook naar uitgaat. Zo konden op oudejaarsavond
groepen mannen de aanwezige vrouwen op het stationsplein in Keulen met
ongewenste intimiteiten overweldigen. De uitspraak dat het hier om losgeslagen
asielzoekers ging werd al snel kracht bij gezet door het oplopende aantal
aangiften dat werd gedaan. In de discussie die hierna ontstond leverde Mounir
Samuel een redelijk genuanceerde bijdrage. Hij relateert de gebeurtenis aan de
enorme sociale verschuiving. Deze zou ongekende spanningen met zich meebrengen.
Ik citeer: `Verward grijpen jongens en mannen, die in veel gevallen geen werk
of maatschappelijke positie hebben, naar hun laatste wapens: fysiek en seksueel
overwicht. Niet religie of de ‘achtergebleven’ cultuur, maar de snelle opmars
van vrouwen (en haar pogingen nu ook meester te worden van de staat en de
straat) vormt de echte verklaring voor de groepsverkrachtingen op bijvoorbeeld het
Tahrirplein.’
In mijn
Loesje posterschrijfgroep proberen we spreuken te verzinnen rond het thema
seksueel geweld tegen vrouwen. Ik kom niet verder dan: in de cel voor
aanranding? Voel je je ook eens in je kruis getast. Een medeschrijfster komt
met: massa-aanranding, oorlogskerkhof met een rij anonieme kruizen. Al een stuk
sterker. Maar de meest sprekende vind ik: Seksueel geveld.
Ik denk aan
de keren dat ik me zo voelde en met een man het bed deelde en toegaf aan zijn behoeftes omdat
ik geen nee durfde te zeggen, of het verschil niet meer zag tussen liefhebben en
nodig hebben. Ik denk aan de tandarts.
35 jaar
geleden. Ik was net verhuisd naar de Schoolstraat middenin de uitgaansbuurt.
Mijn benedenwoninkje met twee slaapkamertjes en gestoorde bovenbuurvrouw had ik
geruild voor een grote gekraakte kamer in de binnenstad. Douche en toilet
deelde ik met Evert de pokdalige pianist. Om het pokdalen te bestrijden at hij
’s avonds voor het slapengaan twee boterhammen met verse knoflooktenen. Bij
voorkeur in mijn kamer, die dan de hele nacht naar knoflook meurde en waarin ik
nog moest slapen. Evert droeg dan een grote witte onderbroek van Jansen en
Tilanus met een wit hemd erin gestopt. Die outfit had mijn vader niet misstaan.
Evert was 22.
Vlak voor
mijn verhuizing was ik in de steek gelaten door een geliefde die ik vurig
beminde. Die kon de strijd tussen mij en zijn ex niet langer aan en verliet ons
beiden. In Het Pakhuis verdronk ik elke avond mijn verdriet. Op een van die avonden
trof ik de tandarts, een bijzonder aantrekkelijke, doch enigszins dominante man.
Ondanks zijn enorme sex appeal had ik intuïtief altijd afstand van hem bewaard.
Die keer dat hij na het sporten tijdens het gemengd douchen uitdagend met zijn
erectie naar me wees. En ook die keer dat hij bij mij in bed kroop na een
avondje stappen met een wederzijdse homovriend. Toen hield ik me slapend, tot
ik ervan overtuigd was dat hij sliep. Ik wist niet hoe snel ik vervolgens bij
de homo in bed moest kruipen.
Maar deze
avond was ik extra verdrietig. Zwaar ongesteld en dus een laag dopaminegehalte in
het lijf. Gretig sloeg ik de biertjes achterover die de tandarts me aanbood. Al
keuvelend schuurde hij quasinonchalant tegen me aan. Ik sloeg er geen acht op.
Dat deed hij bij alle vrouwen, het was zijn handelsmerk. Ik vertelde hem dat ik
net verhuisd was en om de hoek woonde. ‘Laat me je kamer maar even zien,’ stelde
hij voor. ‘Als het toch zo dichtbij is.’ Bedwelmd van in alcohol gedrenkt liefdesverdriet
nam ik hem mee. Nauwelijks over de drempel greep hij me hardhandig vast. Oog
voor mijn kamer had hij niet. Hij zag niet de zonnig glanzende vloer die ik met
verf uit de Korenbeurs goudgeel had geschilderd. En niet de ladder naar mijn
bed op de zelf getimmerde verdieping. De ladder van mijn Franse ex-buurman die
ik zo lang in bruikleen had, dat ik hem voor een verjaardag jaren later alsnog
cadeau kreeg.
De tandarts
was opgewonden, hij had maar één doel voor ogen. ‘Niet doen,’ protesteerde ik,
‘ik ben ongesteld.’ Alsof een tandarts schrikt van een beetje bloed. Onverschrokken
ging hij recht op zijn doel af. Zijn hitsige gehijg was het enige geluid in de
kamer, die naar knoflooktenen en gele verf rook. Hij gespte zijn riem los, en
zijn gulp volgde. Pardoes sprong het groeiende geslacht uit zijn broek
tevoorschijn. De intussen oververhitte tandarts duwde mijn hoofd richting zijn
opstand. En voor ik er erg in had werd mijn hoofd ritmisch op en neer geduwd en
praatte ik met volle mond. Alleen kwamen ze niet. De woorden die ik had moeten
zeggen, die ik had willen zeggen. Dat ik zo verdrietig was en zo alleen. En nog
zo godvergeten verliefd. En dat ik enkel een arm om me heen wilde en niet een
pik in mijn mond. De woorden kwamen niet. Hij wel. De blanke, welgestelde, hoogopgeleide
tandarts.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten