dinsdag 16 augustus 2016

H(ell)up Holland H(ell)up

`WE hebben gewonnen!’ jubelt een medecursist die onder de les stiekem haar Twitter heeft gecheckt. Wát WE hebben gewonnen is me niet meteen duidelijk. De staatsloterij? Deden WE mee dan? Een bedrijfscompetitie Go Pokemonstertjes? Daar zijn we net niet autistisch genoeg voor. Dan zal het wel iets Olympisch zijn. En jawel, de Nederlandse handbalsters zijn een ronde verder. En dus hebben WE gewonnen. Onze bijdrage aan de winst bestond uit het bespieden van zich, in het opwindende adolescentenzweet werkende jonge deernen, die in hun glimmende sportbroekjes voor volk en vaderland achter een bal aan renden. HUP HOLLAND HUP, oftewel Ha Ha Ha op onze voorhoofden geschminkt. Gespeend van elk spelinzicht, zuipend, boerend en ruftend van ONS bier en de, groot ingekochte vezelarme vetsnacks bekeken we de wedstrijd. Of, zoals thuis bij de zelfbenoemde elite, WE moedigden aan, en petit Commité Olympique met een goed glas caipirinha, met rum van de Lidl. Stirred, not shaken (met dank aan Bond). We waren verslaggevers op niveau, met de (hand)ballen verstand van zaken. BLUP HOLLAND BLUP.

WE zijn kampioenen in het ons toe-eigenen van de prestaties van onze sportieve volksvertegenwoordigers. Zo cultiveren we onze oranje guilty pleasure zonder expliciet te uiten dat Wilders stiekem wel gelijk heeft. Een WIN WIN Situatie!
Maar hebben WE dan ook verlóren wanneer een Naomi en een Daphne de hooggespannen verwachtingen niet waarmaken? Heeeej, dán geeft het Nederlands legioen couch coaches ineens niet thuis. Dan hebben ZE verloren! ZE hebben niet hard genoeg getraind, misten de vorm, waren mentaal uit balans, hadden te weinig biertjes gedronken of bezweken onder de druk. Begrijpelijk, en het gaat tenslotte om het meedoen en niet om het winnen, maar aan ONS heeft het niet gelegen. WE hebben hard genoeg op die zachte bank gezeten. Genoeg halfverteerde knakworstscheten gelaten en knoflookboeren met van die verfrissende vleugjes maagzuur. Onze Hollandse bierfabrikant hebben we zum kotzen gesponsord en de medische stand vergastten we op onze hartverzakkingen, en koolstofvergiftigingen van die aangebrande BBQ-Burgers. Ook het alternatieve circuit hebben we van brood en spelen voorzien. Zo kan de anonieme zelfhulpgroep Hoe verwerk ik teleurstellingen (Herman Finkers), het groeiende ledenaantal nauwelijks aan en dreigt deze, geheel tegen de ideologie in, met een ledenstop. Want ZE hebben weliswaar verloren, maar buiten de medailles vallen als natie, dat moeten WE wel even verwerken. HELLUP HOLLAND HELLUP!









donderdag 9 juni 2016

Zweet




Mijn nieuwe vriendje ruikt niet. Niet dat hij zijn neus niet gebruikt, integendeel, de snuffelaar wordt flink ingezet wanneer we de bloemetjes en de bijtjes buiten zetten. En dat is tegenwoordig ieder weekend raak. Nee, Gyp heeft geen lichaamsgeur. Door de nogal rigoureuze uitoefening van zijn persoonlijke hygiëne, verschansen de verlokkelijke feromonen zich angstvallig onder het oppervlak. Een beetje jammer vind ik dat wel. Aan de geur herken je je partner in het donker en pik je hem geblinddoekt zo uit een rij meurende makkers. Al heb je daar in de (hedendaagse) praktijk niet zo veel aan. Hoe vaak moet je dat nou helemaal doen. 

Omdat ik wel van een sappige feromonenvariant houd, doe ik mijn best om Gyp te laten rieken. Maar wat ik ook doe om de druppels uit zijn oksels te persen, het mag niet baten. Het is een ware uitputtingsslag en de enige die er lekker van gaat stinken, dat ben ik zelf. Mijn eigen zweet, daar zit ik niet op te wachten. Ik herken mezelf toch wel, ook in het donker.

Het gedragen T-shirt dat Gyp bij me achterlaat om aan te snuffelen wanneer hij weer in het Land van Maas en Waal vertoeft, geurt naar katoen. Daar word ik niet opgewonden van, ik ben geen textofiel en zal het dus moeten doen met de overige zintuigen. Gelukkig blijft er dan genoeg te genieten over. Er valt naast zijn grijze lokken nog wel het een en ander aan hem beet te pakken en het oog wil wat, maar krijgt ook wat! En als hij zingt of me voorleest kun je me bij elkaar vegen.
Wanneer ik hem op de bus naar Kardinge heb gezet, waar zijn auto staat, word ik door een licht panische weemoed overvallen. Het ene moment houd je elkaar nog stevig vast en het volgende verdwijnt de bus uit het zicht en Gyp uit mijn hier en nu. En op deze leeftijd, al hebben we nog ruim 25 jaar te gaan om de gemiddelde leeftijd te bereiken, kan dat maar zó voor altijd zijn. Afscheid nemen, hoe vaak heb ik al geliefden uitgezwaaid, voor langere of kortere tijd, het went nooit. 

Terwijl ik heldhaftig mijn tranen onderdruk, doe niet zo belachelijk, je ziet hem vrijdag al weer, loop ik recht in de armen van Joanna, de mooiste vrouw van Groningen en omstreken. Die mening deel ik met half Groningen. En niet alleen de mannelijke helft. Al zou Gypso natuurlijk zeggen dat ik de mooiste ben... Maar hij is dan ook geen Groninger. Wanneer Joanna langs een terras loopt, springen alle ogen spontaan op steeltjes. Het is me nooit overkomen, verliefd op een vrouw, maar mocht het ooit gebeuren, dan maar op haar. Haar sprankelende persoonlijkheid, haar perfecte en natuurlijke schoonheid, de wijsheid van haar ouwe ziel. Ik zou erin zwelgen. Uren, dagen, zou ik naar haar kunnen kijken en luisteren, en volmaakt gelukkig zijn. 

Door haar innige omhelzing valt de zwaarte van het afscheid van me af. `Wat ruik je lekker,’ zeg ik nadat ik me heb losgeweekt uit haar armen. Ze glimlacht en bedankt me voor het compliment. `Ik heb net gedoucht.’ Haar gezicht straalt als ik haar over de ontluikende liefde voor mijn polderjongen vertel. `Veel geluk met Gyp,’ wenst ze me als ze haar weg vervolgt. Ze meent het oprecht. Mijn onverkwikkelijke geschiedenis met Dokter Rossi heeft ze van dichtbij meegemaakt en ze gunt me het prille geluk van harte. Ik ruik aan mijn hand en word bijna bedwelmd door haar geur. Zo wil ik ook ruiken! Ik draai me om. `Waar heb je die...?’ maar ze is al verdwenen.

Thuisgekomen snuffel ik nog even aan het T-shirt van Gypso. Niks. Dan wrijf ik het langs mijn gezicht en voel hoe zijn zachte lippen liefdevol mijn wang beroeren. 



donderdag 19 mei 2016

Spaanse Vlieg



Zeventien was ik en ik had nog maar net de alcohol ontdekt. Smoorverliefd op een knappe, maar, o zo foute man van 21, wiens oom de eerste seksshop van Zwolle had. De winkel was gevestigd in Assendorp, toen nog een arbeiderswijk. Oom verkocht er vieze boekjes en dildo’s van, ongetwijfeld giftige, kunststof en ook Spaanse Vlieg, de toenmalige partydrug.

Na een cola-tic op een feestje boven de seksshop, mijn eerste feestje ooit, voelden mijn benen als te gaar gekookte spaghetti. De wereld was donzig en wiegde aangenaam zachtjes heen en weer. Iedereen was even lief. De knappe foute man troonde me mee naar een donkere open plek tussen twee huizen. Mij! En niet een van de meer `ontwikkelde’ meisjes. Gedwee liet ik me meevoeren. En ook toen hij me van onderen ontkleedde, gaf ik geen kik. Zijn eigen broek, met wijde pijpen, liet hij zakken tot halverwege zijn behaarde dijen. Uit zijn broekzak toverde hij een condoom tevoorschijn en rolde deze routineus om zijn al stijve geslacht. Zonder enige vorm van voorspel zakte hij vervolgens lichtjes door zijn knieën en wurmde het, in weeïg ruikend rubber gehulde, apparaat bij mij naar binnen. Pijn deed het niet, ik was al geen maagd meer en de lichaamssappen vloeiden toen nog bij de minste of geringste stimulans. De wereld was een zachtgekookt ei en wat er zich daar beneden in mijn lijf voltrok leek buiten mij om te gaan.

Over de schouder van de man zag ik tot mijn verbijstering dat we niet alleen waren. Achter hem stonden de schimmen van een plukje feestgangers naar zijn driftig op en neer bewegende foute mannenbillen te staren. Een besmuikt gegrinnik steeg op uit het half duister. Tussen de toeschouwers ontwaarde ik mijn broer, die schaapachtig stoned naar me grijnsde. Moest ik me nu schamen? Of het juist stoer vinden om publiekelijk genomen te worden door een volwassene die mij blijkbaar de moeite van het nemen waard vond. Was ik nu ook volwassen? 

Later die avond toen ik hondsberoerd werd, gaf de foute knapperd toe dat hij Spaanse Vlieg uit de seksshop van zijn oom in mijn cola-tic had gedaan. Hij was nog wel zo fatsoenlijk om mij naar huis te brengen, alwaar mijn vader mij verbood ooit nog met deze vrienden om te gaan. Maar naar mijn vader luisterde ik allang niet meer...

Wat mijn raarste sekservaring ooit is wilde Gypsophylus weten. Dat moet deze publieke performance haast wel zijn geweest. Gypso en ik zitten in de verkennende fase van een kersverse romance. Zelfs de donkerste wolk heeft een knalroze rand en we willen nog van alles van elkaar weten. Na het hardrockconcert in de Oosterpoort, met de bounuskleinkinderen, bracht Gypso voor het eerst de nacht bij mij door. Die nacht werd geen succes. De inmiddels
bejaarde lichaamssappen werkten niet mee om ons tot eenheid te smeden, en er was geen Spaanse Vlieg voorhanden. En ook het slapen met een vreemd lichaam in mijn veel te smalle seniorenbed was afzien. Maar met zijn jeugdig elan, rotsvaste vertrouwen in de goede afloop en het doorzettingsvermogen van een tweede generatie polderpionier, wist hij een paar romantische wandelingen later toch mijn hart en mijn lichaam te veroveren. In volgorde van belangrijkheid.

`Wat een leuke knul!’ roept mijn moeder enthousiast uit wanneer Gypso mij na een weekend in de bedding van Maas en Waal bij haar heeft afgeleverd. `Zeg, kent hij jouw reputatie eigenlijk wel?’ vraagt ze op haar moeder-keurt-dochter-af-toontje. `Hoe bedoel je?’ vraag ik quasi naïef, maar het is vragen naar de bekende weg. Meer dan een handvol schoonzoons heeft mijn moeder in de loop van haar leven ten tonele zien verschijnen en vroeger of later weer zien verdwijnen. Ze heeft dan ook weinig fiducie in mijn relationele kwaliteiten. `Jaaa, jij proeft aan mannen en als je ze niet lekker vindt spuug je ze gewoon weer uit.’ Wat een lelijk beeld schetst ze daar van mij. En bedankt mam. 

Dat er een oorzakelijk verband is tussen haar genen, mijn opvoeding, en mijn tragische liefdesleven, houd ik wijselijk voor me. Dat mijn hart altijd in minstens zo veel stukken brak als dat van mijn slachtoffers ook. Mijn moeder laveert duidelijk tussen schaamte en bewondering. Schaamte voor haar lellebel van een dochter. En dan weet ze nog niet eens van mijn `openbare’ optreden in Assendorp van 44 jaar geleden. Maar ook bewondering voor het lef en de veerkracht die dochterlief tentoonspreidt waar het haar liefdesleven betreft. Ook al is het misschien een herhaling van zetten. En is de afloop voorspelbaar. Eén keer zal het góed aflopen. En nu maar hopen dat het deze keer zal zijn.

vrijdag 29 april 2016

Hardrockblues



Wat trek je eigenlijk aan als je als 61-jarige voor het eerst van je leven naar een hardrockconcert gaat. Ik sta voor mijn kledingkast en kan niet beslissen. Nou is dat niet zo vreemd als je onder het sterrenbeeld Vissen bent geboren. Die vissen zwemmen immers elk een andere kant uit. Jurkje blupt de een. Broek blupt de ander. Neem dan maar eens een beslissing! Ik ga in gezelschap van Gypsophilus, de polderjongen die sinds de Bluestour zijn belangstelling voor mij niet onder stoelen of barkrukken steekt. Maar we zijn niet alleen. Er komen ook nog vijf vrienden van hem. Jonge vrienden, die mijn kleinkinderen zouden kunnen zijn. En ik heb niet voor niets geen kleinkinderen. 

Die strakke zwarte broek? Altijd sexy, maar vinden mijn leenkleinkinderen dat ook? Of stoot ik ze daarmee juist af? Ew, gross! Dat superkorte zwarte mini-jurkje met fijne glitters met het stoere zwarte leren jack van Onder de Linden in de Steentilstraat? Of is het een vooroordeel om te denken dat zwart leer verplicht is voor een hardrockconcert. Straks word ik nog uitgelachen. Haha, moet je dat ouwe wijf zien, denkt dat ze nog heel wat voorstelt. Toch die zwarte broek maar. En wat er boven dan? Die zwarte zijden blouse met wit geometrisch motief? Neh, te jazzy. Dat hardblauwe T-shirt met die stalen ringen langs de hals? Stoer, maar toch sophisticated.

Is het wel het oordeel van de kleinkinderen dat ik vrees? Of ben ik ergens anders bang voor? Het is alweer jaren geleden dat ik met een andere man dan Dokter Rossi het bed deelde. Die vermaledijde dokter die nu met zijn ex in Spanje zit. Wat ik moest horen via de tam tam, alsof ik dat niet allang door had toen hij spoorslags richting zon, zuiden en zex vertrok. Toevallig net toen de meivakantie van ex-lief begon. Een goed contact tussen ex-partners juich ik van harte toe. Heb er zelf ook een paar. Goede contacten. Maar de geheimhouding ervan stemt me verdrietig. Hoe kun je zonder openheid vertrouwen? Ik vertel hem toch ook dat ik met Gypsophylus naar The Crazy Motherfockers ga.

Vanavond kleed ik me voor het eerst uit voor deze relatief vreemde man, die polderjongen. De laatste man voor wie ik dat deed kende ik al twee jaar. En die daarvoor al dertig jaar. Ik ben dus helemaal niet de slettenbak voor wie ik word gehouden, door de Zedenpolitie. Maar hoe goed ken je iemand die je vijf keer hebt ontmoet. Waarvan drie keer met een aardige slok op. En twee keer in het gezelschap van anderen.

Ik maak me zorgen of ik überhaupt een oog zal dicht doen met dat onvertrouwde lijf naast me. Maar meer zorgen maak ik me over wat er voor het slapengaan gebeurt. Voelt het wel goed? Wordt hij niet te opdringerig? Word ik wel opgewonden? Vindt hij me zonder zwart leren jack wel net zo aantrekkelijk? Wat als hij afknapt omdat het er allemaal iets minder jofel uitziet dan wat je zou verwachten in die strakke outfit. En ga ik Dokter Rossi niet verschrikkelijk missen? Aan zijn lichaam is alles vertrouwd. Van elke centimeter weet ik hoe hij voelt, ruikt, smaakt en er uitziet. Jarenlang was hij mijn maatstaf. Kan daar ooit iemand anders aan voldoen? Maar wat als dit mijn laatste kans is op een leuk vriendje... De tijd van de noten en de zang is voorbij. Of wat als het een gevalletje dierenarts blijkt te zijn? Maandenlang maakte deze onderdeur me het hof. En toen hij me eenmaal had gehad, was de buit binnen en de lol eraf.

Waar meld ik me ziek? Zingle zijn valt toch best mee?